Margriet nr. 9, maart 2011
door Heleen Spanjaard
Ik heb truffel, wat heb jij? is de titel van een mooi boekje met het laatste interview met Annie M.G. Schmidt. Alex Verburg had in 1995 een lang gesprek met de schrijfster waarin vele facetten van haar leven de revue passeerden. Een bijzondere herinnering aan ‘onze’ Annie. (De Arbeiderspers, € 9,95)
Waarom publiceer je je laatste interview met Annie M.G. Schmidt nu pas in boekvorm?
‘Direct na de verschijning van haar biografie had ik me al voorgenomen nog eens te luisteren naar de opname van mijn laatste gesprek met haar. Achteraf bleek dat tevens haar allerlaatste interview te zijn. Ik had daar wel al delen van gepubliceerd, maar nooit het hele verhaal.
Met de dood in aantocht sprak Annie vrijuit over wat in haar ogen anders had gekund of gemoeten in haar leven, hoe ze zich haar einde voorstelde, en hoe ze graag zag dat wij ons haar zouden herinneren. Op punten was ze aanzienlijk stelliger dan zij in de biografie naar voren kwam. Toen daarna die tv-serie over haar verscheen, waarin ik naar mijn gevoel Annie niet echt heb ontmoet, niet haar wezen, dacht ik: tja, was dit het dan? Nee dus. Ik vond dat zij alsnog het laatste woord moest krijgen.’
Moet het beschouwd worden als een ode aan haar?
‘Zelf beschouw ik het als een soort testament, als een afscheidsgesprek dat ze voert met ons allemaal, ook al mocht het van haar geen afscheid heten.’
Wat betekende de schrijfster voor jou persoonlijk?
‘Mijn eerste leesboekje droeg de buitengewoon opbeurende titel Jantje Strop in Marokko, het tweede was Annies Het beertje Pippeloentje. Een liefde voor het leven.’
De Leeslamp, 19 september 2010
door André Oyen
Welk is (zijn) uw favoriete boek(en)?
“Wat mijn echte favorieten zijn, weet ik niet. Ze zijn ook te talrijk, de boeken die in pakweg zo’n halve eeuw aan je voorbijtrekken. Veel heb ik ook beroepshalve gelezen, omdat ik nogal wat schrijvers heb moeten, of mogen, interviewen. Dan lees je anders. Schrijvers van wie ik zeker weet dat ik hun werk nog minstens eenmaal in mijn leven wil hérlezen, zijn Couperus, Reve, Proust, Evelyn Waugh, Thomas Mann, Hermann Hesse…”
Waarom?
“Om uiteenlopende redenen. Om de opbouw, de karaktertekening, het ritme, de klank van de woorden. De rust ook, de ruimte die de verteller durft te nemen. De tijd waarover ze schrijven. Alleen bij Hesse, daar is het vooral nieuwsgierigheid. In mijn jeugd heb ik, geloof ik, alles van de man gelezen, ik was verslingerd aan zijn werk. Wat zou ik daar nu van vinden, vraag ik mij af, veertig jaar later?
Er schiet me ineens een voorval te binnen. Het was ergens halverwege de jaren negentig, ik had een ontmoeting met Shirley MacLaine. De aanleiding weet ik niet eens meer, wel dat ik me voor de gelegenheid door vier boeken van haar had heen gewerkt, met wisselend genoegen. Ik stelde daarover een eerste vraag, ze keek me dodelijk vermoeid aan en besloot dat ze daarvoor niet in de stemming was: ‘Next question.’”
Een voorkeur voor boek van papier of e-boek?
“In 1995 bleek ik de laatste te zijn geweest die Annie M.G. Schmidt had geïnterviewd, kort voor haar dood. Het was een mooi gesprek, over de voorstelling die zij zich van haar eigen sterven maakte en van wat er daarna kwam, of niet kwam, en hoe ze door ons herinnerd zou willen worden. Maar het was ook een terugblik, waarin zo ongeveer alle facetten van haar leven wel aan bod kwamen, haar houding in de oorlog incluis. Na de biografie door Annejet van der Zijl, maar met name na die televisieserie, waarvan ik vind dat haar geen recht is gedaan, leek het me de moeite waard dat interview nog eens integraal uit te werken en zodoende Annie als het ware het laatste woord te gunnen. Onder de titel Ik heb truffel, wat heb jij? brengt De Arbeiderspers het boekje uit, in februari 2011.
Annie vertelde me onder andere wat haar blindheid met haar had gedaan. Dat het toch van een opperste onrechtvaardigheid was dat sommige mensen alleen maar lazen om de advertenties van Albert Heijn, terwijl zij, een echt lettermens… Daar leed ze diep onder, ze noemde dat haar dagelijkse ellende. Toen ze die kwaal kreeg, een verwoest netvlies, wilde ze meteen al haar boeken wegdoen. Ook uit woede, natuurlijk, uit frustratie. Maar achteraf was ze zo blij dat ze dat níét had gedaan, want al kon ze ze niet meer lezen, haar boeken bleven haar vrienden, zei ze.
Ik voel dat precies zo. Mijn huis zou verlaten aanvoelen, half ontzield als zij er niet meer waren. Bij het verlies van een e-reader stel ik me toch iets anders voor.”
In welke auteur zijn of haar huid zou U stiekem een week willen schuilen?
“Waarom stiekem? Nee hoor, ik zit lekker in mijn vel, zeker als ik fijn aan het schrijven ben. Dan vergeet ik alle zorgen, goede of minder goede oplagecijfers, niets doet er meer toe, ik ben dan volmaakt gelukkig. Maar ik herinner me wel een veiling van Sotheby’s, waar de bureaustoel van Louis Couperus werd aangeboden. Ik dacht: als ik op die stoel mag zitten schrijven, dan komen de verhalen vanzelf. Want dat gevoel krijg ik bij Couperus altijd, dat zijn boeken zijn geschreven op de stroom van de inspiratie. Dus ik heb dapper zitten meebieden. Maar hij ging ver boven mijn budget, ik meen dat die op 5500 of 6000 werd afgeslagen, terwijl de stoel zonder die geschiedenis misschien maar 80 had opgebracht.”
Heeft u persoonlijk nog iets toe te voegen, wens, verwensing of dergelijke meer?
“Ik heb absoluut niet te klagen, tot nu toe heeft elk boek van mij in de pers mogen rekenen op een hoop fijne feedback, maar over het algemeen valt me wel op dat recensies vaak geen echte recensies meer zijn, met een beschrijving van het boek, feitelijk, niet gekleurd, en daarna een oordeel. Zodat die twee, beschrijving en oordeel, helder van elkaar zijn gescheiden en niet verworden tot een troebele brij waarbij je als lezer verstoken blijft van echte informatie. Het is mijn indruk dat menig recensent die kunst niet meer verstaat.”
Azië Magazine, juni/juli/augustus 2010
door Rose-Mary de Boer
HET REISGEVOEL VAN ALEX VERBURG
'De onbevangenheid is een beetje weg'
Schrijver Alex Verburg debuteerde in 2002 met zijn roman ‘Het huis van mijn vader’. Daarna volgden o.a. ‘Het voorlopige leven van Liesbeth List’ en ‘De verzoening’, het levensverhaal van Hank Heijn, de weduwe van de in 1987 ontvoerde en vermoorde Gerrit Jan Heijn. Onlangs verscheen ‘Dwalingen’, over een liefdesdrama in de Tweede Wereldoorlog. Verburg is een verwoed reiziger.
 |
| Filippijnen, 1994. Fotografie: Sjaak Ramakers |
Waarom reis je en wat betekent reizen voor je?
"Was het de Dalai Lama niet die eens heeft gezegd dat je ieder jaar in elk geval één plek moet hebben bezocht waar je nooit eerder bent geweest? Ik weet niet of die plek per se ver weg moet liggen, maar ik zie er wel een waarheid in. Reizen doet je verwonderen, reizen relativeert. Het maakt het bestaan van alledag, je gewoontes en overtuigingen minder absoluut. Reizen zingt je los van de waan van de dag, van de zorgen en zorgjes, het verbreedt je kijk op het leven, de wereld, de mensheid."
Wat voor invloed heeft reizen op jouw werk?
"Lange tijd bracht mijn werk het reizen juist met zich mee. Ik schreef erover. In mijn roman ‘En najagen van wind’ heb ik bijvoorbeeld mijn bezoek aan het kamp van Hugo van Lawick verwerkt, in de wonderbaarlijk mooie wildernis van de Serengeti."
Hoe reis je?
"Dat hangt van de locatie af. In India verplaatste ik me per bus, midden tussen de Indiërs en hun meereizende have - geiten, kippen, een victorie kraaiende haan op het dak. Door het Atlasgebergte in een gehuurd, aftands Renaultje 4. In Tanzania met een Land Rover. In Australië per camper en een enkele continentale vlucht, waarop voor mij, als vegetariër, een 'special meal' was geregeld; dat bleek een vleesmaaltijd te zijn, de enige vleesmaaltijd aan boord, want voor de passagiers stond die dag louter groente op het menu."
Waar ging jouw laatste reis naar toe?
"Naar de Pyreneeën, voor een ontmoeting met Alexandra Radius en Han Ebbelaar, die daar letterlijk eigenhandig hun paradijs op aarde hebben geschapen."
Wat doe je tijdens lange wachttijden?
"Rondkijken. Lezen. Een uiltje knappen."
Hoe bereid je je voor?
"Dat ligt aan de bestemming. En het doel. Is dat puur vakantie, dan bestaat de voorbereiding vooral uit het bijeen zoeken van boeken die ik graag wil lezen."
Met wie zou je graag een verre reis willen maken?
"Mijn partner is de ideale reisgenoot. Hij is overal meteen thuis, zo thuis dat waar ter wereld wij ons ook bevinden, mensen in hun eigen taal hém naar de weg vragen. Ondanks mijn blonde manen en blauwe ogen, lijk ik dankzij hem meer op te gaan in de plaatselijke bevolking en minder op te vallen. Anderzijds heb ik ook altijd buitengewoon prettig gereisd met de fotograaf Sjaak Ramakers, die juist niets liever deed dan zich te onderscheiden en de aandacht op zich te vestigen. Als wij samen op reportage gingen, raakte hij meteen in het vliegtuig al met iedereen in gesprek. Terwijl ik het liefst onopgemerkt de plaats van bestemming zou bereiken, regelde hij zijn gesprekjes zo, dat al spoedig iedereen was geïnformeerd over het hoe en waarom van onze reis. Wie we waren. Wie we niet allemaal hadden ontmoet op onze expedities. Aan welke gevaren we hadden blootgestaan. Hoe we eens ergens in een negorij op de Filippijnen waren onthaald op een maal van gebraden hond die ons even daarvoor nog kwispelend had toegeblaft. Om onze gastheer niet te bruuskeren, moest iemand eraan geloven en het was gegeven de omstandigheden zonneklaar dat Sjaak de uitverkorene was. Wel vijf keer hoorde ik hem de nacht die we daarna in de cel van een afgelegen klooster doorbrachten, schor kokhalzen boven de kleine wastafel. 'Blaf jij zo?' vroeg ik hem bij de derde of vierde keer. Kon hij niet om lachen."
Wat vind je het leukste tijdens het reizen?
"Wat mij altijd inspireert zijn de mensen die je in hun eigen omgeving ziet, met hun gewoontes en gebruiken. Ik ben dan zelf het liefst onzichtbaar, zodat niets hun ritme verstoort. Dat zal ook wel met de levensfase te maken hebben waarin ik me bevind. Er werd hier laatst een pakketje afgeleverd door een jonge koerier. Hij keek me wat onderzoekend aan, wierp vervolgens een blik op de stille dorpsstraat, en vroeg toen:‘Hoe houdt u het hier uit?’ Dertig jaar geleden zou ík wellicht die vraag hebben gesteld."
Wat vind je niet leuk tijdens het reizen?
"Het begin, Schiphol. Ik heb een aversie ontwikkeld tegen de massaliteit ervan. Herinner je je dat verhaal van die stewardess een jaar of wat geleden? Een passagier meende een opmerking te moeten maken over haar ietwat gezette postuur en zei: 'Ik wist niet dat ze hier tegenwoordig ook boerinnen in dienst nemen.' Een opmerking die zij meesterlijk pareerde: 'Meneer, sinds wij vee vervoeren, wel.'
Alle veiligheidsmaatregelen van tegenwoordig en de onderbroeken met explosiegevaar maken het er natuurlijk ook niet leuker op. De onbevangenheid waarmee ik vroeger altijd in een nieuw avontuur stapte, is een beetje weg. Maar, moet ik erbij zeggen, ik vind überhaupt reizen over land prettiger. Ik houd van de geleidelijkheid, van een landschap dat langzaam verandert in het voorbijgaan."
Waarom Azië?
"De oude beschaving, de stille kracht, de verfijning van de mensen die je er aantreft, de hoffelijkheid waarmee ze je vaak bejegenen. Ook al zou die gespeeld zijn, dan nog heb ik die duizendmaal liever dan de botheid die ik soms in eigen land ontmoet. Het elkaar de maat nemen, de les lezen, alsof er maar één waarheid zou bestaan. Lijkt bij ons de confrontatie een hoog goed en brengen we elkaar daarmee voortdurend in verlegenheid, daar lijkt juist alles erop gericht de ander níét in verlegenheid te brengen maar zich senang te laten voelen. Tenminste, dat is mijn ervaring.
Of het verhaal helemaal klopt, weet ik niet, maar ik heb ooit gelezen dat in het oude China eenmaal per jaar wijze mannen uit alle windstreken bijeenkwamen om de toestand van het land te bespreken. Allemaal hadden ze een muziekinstrument bij zich en daarop werd net zolang gemusiceerd, tot er geen dissonant meer klonk en iedereen op elkaar was afgestemd. Pas daarna kon de vergadering beginnen. Is dat niet prachtig?"
Wat is je favoriete plek?
"Mijn jeugd. Het huis van mijn vader."
Felderhof, maart/april 2010
door Kees Terloo
Liesbeth List: 'Omzien in vreugde'
"In de laatste nacht van Ramses stierf ook mijn tante Hetty. Zij was de zus van mijn echte vader, de tante die lang geleden op een dag tegen mij had gezegd: ‘Ik heb zo het idee dat jij geïnteresseerd bent in wat er gebeurd is.’ En ze had me een bundeltje brieven gegeven: liefdesbrieven van mijn ouders aan elkaar, wanhoopsbrieven van mijn moeder aan mijn vader toen zij met mij in het jappenkamp zat, een brief van mijn vader, kapot van verdriet, waarin hij zijn schoonmoeder vertelde dat haar dochter, mijn moeder, zelfmoord had gepleegd. Hartverscheurend natuurlijk. Toch was ik er blij mee. Eindelijk had ik een verleden, met een échte vader en een échte moeder, mensen van vlees en bloed uit wie ik geboren was en die van mij hadden gehouden. Ik was niet langer ‘opgericht’, want dat gevoel had ik steeds gehad. Uit angst ze te kwetsen, had ik mijn pleegouders nooit naar het verleden durven vragen.
"Met de grootste moeite ben ik aan de brieven begonnen. Ik weet nog dat Cees Nooteboom, met wie ik toen samenleefde, thuiskwam. Ik had ze nog maar net gekregen en zat ermee op de grond, hevig overstuur. ‘Ik moet je iets vertellen,’ zei ik, ‘ik heb brieven…’ Maar hij reageerde geprikkeld. Zijn hoofd stond er niet naar, zei hij. Hij heeft ze nooit gelezen. Ik heb ze opgeborgen in een kluis en pas weer tevoorschijn gehaald toen Alex Verburg mijn biografie ging schrijven. Via zijn boek heb ik ze pas integraal gelezen, en ook niet eens meteen. Steeds stelde ik het uit. Tot ik op vakantie ging naar Frankrijk, naar een huis van vrienden, waar niemand mijn tranen zou kunnen zien. Nou, ze hebben inderdaad rijkelijk gevloeid, maar wel afgewisseld met veel lachen, bulderlachen zelfs, want behalve een verdrietig en teder verhaal, is het ook een heel vrolijk boek. Ondanks alles een omzien in vreugde.
"Sinds 2006 treden we samen op met de voorstelling Liesbeth List Intiem. Alex heeft de voorstelling geschreven, ik heb er de liederen bij uitgezocht en Ton Snijders, mijn gedroomde pianist, begeleidt ons. Het is prachtig om te merken hoe de gesproken en gezongen teksten elkaar versterken. Heeft Alex net over een van Ramses’ idiote fratsen verteld, dan volg ik met Heb het leven lief. Want als iemand het leven heeft liefgehad, is het Ramses wel.
"Het verhaal dat wordt verteld, is soms zo persoonlijk, zo intiem inderdaad, dat ik een keer te geroerd was om te zingen. Volgens mij was dat in Apeldoorn. Het publiek begreep het wel, ik legde uit wat er met me gebeurde. Voor het theaterseizoen 2010-2011 staat een grote tournee gepland met z’n drieën, en dit voorjaar verschijnt er een heruitgave van het boek, met een cd erbij van de voorstelling. Eerst wilde ik dat Alex er geen letter aan zou veranderen. Maar toen overleed Ramses. En bleek onze dochter Elisah tot onze grote, grote vreugde in verwachting. Nog meer familie. In juni is ze uitgerekend. Dood en leven, het is maar een kleine stap."
Felderhof, mei/juni 2009
door Kees Terloo
'Wat geweest is, gaat nooit voorbij'
Zijn laatste boek is alweer van drie jaar geleden en werd een bestseller. Daarin beschreef Alex Verburg de ontvoeringsgeschiedenis van Gerrit Jan Heijn, gezien door de ogen van diens weduwe. Deze maand verschijnt ‘Dwalingen’, een waargebeurd liefdesdrama in oorlogstijd.
Waar gaat je roman over?
“Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt in een plaatsje ergens aan de Noordzeekust een Nederlands meisje verliefd op een Duitse jongen die daar werkt voor de Arbeitsdienst. Zij is de dochter van een NSB’er, maar heeft zelf niets op met de bezetting, hij een herdersjongen die graag bij zijn kudde was gebleven. Het is de prille liefde tussen twee onschuldige mensen, maar die liefde wordt beladen met schuld door de tijd en de omgeving waarin zij leven.
Het verhaal van Annie, zoals ik haar in het boek heb genoemd, kwam me via via ter ore en raakte me zo, dat ik haar een brief heb geschreven. Mijn eerste roman, ‘Het huis van mijn vader’, stuurde ik mee omdat die nogal autobiografisch is. Dan wist ze meteen wat voor vlees ze in de kuip had. Na weken kwam er antwoord. Ze wilde voorzichtig kennismaken, maar nog geen toezegging doen. Begrijpelijk. Het ging over een zware last die zij een leven lang met zich mee had gedragen. Voor haar gold: wat geweest is, gaat nooit voorbij.”
Waarom heeft ze uiteindelijk ingestemd?
“Dat weet ik niet, maar op het ogenblik dat ik daar binnenstapte, voelde ik dat het goed zat. Ik geloof dat er bij haar een diepe behoefte bestond haar verhaal te doen. Er gaat natuurlijk een zekere weldaad van uit, als iemand gewoon naar je wil luisteren zonder steeds ‘ja, maar…’ te roepen. Reken erop dat ze dat vaak genoeg heeft gehoord in haar leven, ‘ja maar’ en ‘je had zus of zo’ en ‘mij was dit nooit gebeurd’. Of ‘net goed’, ook dat nog. Een vriendin van mij, Judith Koelemeijer, aan wie ik het manuscript liet lezen voordat het naar de uitgever ging, werd getroffen door de kleinheid van Annies wereld en het gezin waaruit ze kwam. ‘Zo ging dat dus, thuis, ten tijde van de Tweede Wereldoorlog,’ zei ze. ‘De rest is wijsheid achteraf.’ Zoiets vond mijn uitgever ook. Door te focussen op het kleine leed, zei hij, liet ik zien hoe het wereldgebeuren doorsijpelt tot in de kille slaapkamertjes van kleine huizen tegen de duinen.”
Had je dat zo gepland?
“Ik wist dat ik het heel dichtbij wilde houden. Je wint aan zeggingskracht als je grote thema’s klein brengt. Het kan niet anders dan dat je met Annie gaat meeleven en jezelf de vraag stelt: wat zou ik hebben gedaan?”
Ook als man?
“Voor mij gaat het allemaal leven, ja. Ik verdwijn in het verhaal dat ik schrijf. Een vriend uit Amsterdam vroeg me eens of ik iemand wist voor zijn mooie haard – hij ging verhuizen naar een luxeappartement en kon ’m daar niet kwijt. Een paar weken daarvoor was ik iemand tegengekomen die wel een nieuwe kachel kon gebruiken, maar ik wist zo gauw niet meer wie. Dus ik zei: ‘Hou ’m nog even vast, ik heb een gegadigde, ik weet het zeker.’ Dagen heb ik lopen piekeren wie dat nou toch geweest kon zijn. Bleek het een van mijn personages!
Als ik aan een boek werk, leef ik eigenlijk in twee werelden. En allebei zijn ze even echt.”
Heeft Annie je boek al gelezen?
“Ze is vorig jaar plotseling overleden. Twee dagen ervoor had ik haar nog uitgebreid aan de telefoon. Ze was verdrietig, er was wat onbegrip tussen haar en haar kinderen, die trouwens niet echt blij waren dat hun moeder mij deze geschiedenis vertelde. Ik had net antiquarisch een boek voor haar op de kop getikt waar ze als meisje erg van had genoten. Dat heb ik haar toen gauw gestuurd, om haar wat op te vrolijken. Het lag in haar schoot toen ze in haar stoel gevonden werd. Dat is wel een troost, dat ik haar dat nog heb kunnen geven.”
Noord-Hollands Dagblad , 27 april 2009
door Regina Arbouw
Liefdesdrama in oorlogstijd
Dwalingen, de nieuwste roman van Alex Verburg, verscheen begin deze maand. Het waargebeurde verhaal van een meisje dat in de Tweede Wereldoorlog verliefd wordt op een jongen die voor de Duitsers werkt.
In die vijf oorlogsjaren vol onnoemlijk veel leed en ontelbare slachtoffers ging het gewone leven door. Mensen moesten eten, drinken en ze werden verliefd.
Hoofdpersonen in Dwalingen zijn gewone mensen die in een afschuwelijke tijd moeten zien te overleven, de handelingen beginnen in de lente van 1942.
NOORDZEEKUST
De schrijver zit op deze frisse, zonnige dag in de achtertuin van zijn eigen landgoed, een schitterende oude stolp aan de Dorpsweg. Achter het huis een grasveldje vol pinksterbloemen en speenkruid, om een hoekje bloeien de fruitbomen in een oud bongerdje. In de hoge bomen op de erfscheiding zijn door de dunne aprilblaadjes nog net twee nesten zichtbaar, eksters natuurlijk. Een van de twee nesten is vrijwel zeker gekraakt – Alex zag er een roofvogel op landen. Hij is er niet rouwig om: “Er zijn toch al veel te veel eksters, maar eens zien hoe dit verder gaat.”
Over zijn nieuwste boek: “De Arbeiderspers heeft het weer prachtig uitgegeven, ik ben echt blij dat het er is. Het is een boek waarvan ik zeg: had ik het niet geschreven, dan zou ik het graag geschreven hebben. In 2006 verscheen mijn boek De verzoening, het verhaal van Hank Heijn, de weduwe van Gerrit Jan Heijn. Dat verhaal moest tot in het kleinste detail kloppen, alle betrokkenen zouden het verhaal spellen: Hank Heijn zelf uiteraard, maar ook haar kinderen, Albert Heijn, Ahold, de politie en, reken erop, ook Ferdi E., de moordenaar van Gerrit Jan. De waarheid moest ik schrijven, en niets dan de waarheid.”
Vrij snel daarna begon Verburg aan Dwalingen. “Ook hieraan ligt een waar verhaal ten grondslag, maar ik had meer de ruimte dat zelf in te kleuren, zelfs de plicht, om zo de identiteit van de personages te verhullen. Dwalingen speelt in een plaatsje aan de Noordzeekust, waar Annie, een meisje van zeventien, verliefd wordt op de achttienjarige Johann, een herdersjongen die daar werkt voor de Duitse Arbeitsdienst. Hij voelt zich ontheemd, is niet eens een echte Duitser, maar geboren en getogen in het toenmalige Bessarabië. Maar hij heeft geluk met het baantje dat hem is toebedeeld: hij mag de paarden verzorgen die de soldaten nodig hebben bij de aanleg van de verdedigingslinie aan de kust. Annie strijdt tegen haar gevoelens, het geeft alleen maar last. Temeer omdat haar vader, zeer tegen de zin van zijn vrouw en kinderen, sympathiseert met de NSB, dus de familie heeft toch al zo’n naam in het dorp…”
WARME BRIEF
Hij vervolgt: “Toen ik van Annies verhaal hoorde, wist ik meteen dat er een boek in zat. Ik moest er alleen niet te lang mee wachten, ze was al in de tachtig, dus schreef ik haar een brief. Na enige aarzeling – haar kinderen wilden niets weten van een boek over de oorlogsjaren van hun moeder, de gebeurtenissen hebben natuurlijk ook in hun levens hun sporen nagelaten – stemde Annie toe en we hebben heel wat gesprekken gevoerd. Soms stikte ze bijna van verdriet, die momenten vond ik het moeilijkst: om dan toch door te vragen.”
“Toch wilde ze het, het luchtte haar ook op. Want ik oordeelde niet, niet over haar vader, niet over het feit dat ze met een Duitser ‘liep’, ik luisterde gewoon. Ik weet niet of het nu nog zulke grote taboes zijn, wat ik wel weet is dat mensen erg makkelijk met hun oordeel klaarstaan, zonder de moeite te nemen zich wezenlijk in de ander te verdiepen. Dat brengt een hoop ellende en verdriet voort.”
Wat de schrijver diep spijt, is dat Annie de verschijning van Dwalingen net niet heeft mogen meemaken. In 2008 is ze overleden. “Maar van een van haar kinderen, die eerst zo tegen waren, ontving ik vorige week een buitengewoon warme brief. ‘Haar verhaal mocht verteld worden,’ schreef ze, ‘en ik ben dankbaar dat juist u dat gedaan heeft.’ Kijk, zoiets doet het schrijvershart goed.”
NRC Handelsblad, 16 september 2006
Hollands Dagboek Hank Heijn-Engel
Vrijdag 8 september
Om tien over zes sta ik al een ontbijt met veel fruit klaar te maken, voor mij en ook voor Ronald Jan, die sinds drie jaar weer bij me woont, hiernaast, in het oude koetshuis. Ik ben een echte early bird - een watervogel ook nog eens: zomer en winter, ik begin de dag met lichaamsoefeningen die ik afsluit met een half uur non-stop rugcrawl. We woonden in Nederlands-Indië toen mijn ouders mij, een baby van drie maanden, zo in het Tobameer gooiden. De slag die je je dan automatisch eigen maakt, is de crawl. Terug in Holland ben ik wedstrijd gaan zwemmen, terwijl ik nooit les heb gehad. Van de schoolslag heb ik alleen maar gehoord.
Rugcrawl is mijn redding geweest. Mijn rug heeft veel te lijden gehad van de houtkap waarin ik als jong meisje werkte. Hele boomstammen versleepte ik. We zaten vier jaar gevangen in het jappenkamp en op die manier kon ik wat extra rijst verdienen voor mijn moeder, die steeds maar in het hospitaal lag met beriberi, en mijn kleine broer.
Om half twee komen de boeken, rechtstreeks van de drukker. Daar heeft De Arbeiderspers voor gezorgd. Voor alle mensen die naar de presentatie komen, wil ik er alvast iets voorin schrijven. Op de dag zelf lukt me dat nooit. Want het moet allemaal goed.
De bode die de boeken aflevert, vraagt of ik mevrouw Heijn ben. Dan heeft hij me vanochtend in de krant zien staan. 'Zulke mensen moeten levenslang worden opgesloten,' zegt hij over Ferdi E. 'En heb ik dan mijn man terug?' vraag ik.
Zaterdag 9 september
Er staan voorpublicaties van De verzoening in Volkskrant en AD, en in verschillende kranten een interview met Alex Verburg. Het AD heeft het artikel over vier pagina's uitgesmeerd. Van de fotograaf, Johan Weemhoff, hebben ze Woesthoff gemaakt, en Alex' naam wordt niet eens genoemd. Ik bel hem op. Net als ik vindt hij het niet erg zorgvuldig, 'maar ach, het gaat om het boek', zegt hij. Via zijn website en ook hier op De Elshof komen reacties binnen, vooral op de brief die ik in 2005 aan Ferdi E. heb geschreven en die in het boek is opgenomen. Gerrianne, mijn jongste dochter, had het daar destijds even erg moeilijk mee.
Ronald Jan vertrekt naar Rotterdam, waar hij de lezersprijs van het blad ParaVisie in ontvangst neemt, voor zijn film Staya Erusa. Ik kijk naar de hockeywedstrijd Nederland-Duitsland. In gedachten zie ik me weer op de tribune zitten van het Wagener Stadion, samen met mijn 'hockeyveterinnen'. Heerlijke uren waren dat altijd. Ronald Jan speelde in het Nederlands elftal, Corinne en Dennis bij het Nederlands jeugdelftal.
9 september is de dag waarop Gerrit Jan werd vermoord – en, raar dat ik daaraan denk, ook de verjaardag van Cees van der Hoeven. Door het boek is het dit jaar anders, maar in voorgaande jaren waren het altijd anderen die mij aan die kwade dag herinnerden. Onze trouwdatum vergeet ik nooit, 1 september 1956, Gerrit Jans verjaardag op 14 februari ook niet. Ik onthoud graag de fijne dingen van het leven, en vergeet het liefst de trieste.
In een impuls bel ik Cees en feliciteer hem. Hij is ontroerd, en ik moet huilen. Om alles.
Zondag 10 september
In alle vroegte fiets ik een uur door de stille natuur. Het is een betoverend mooie ochtend.
's Middags ga ik naar de modeshow van Paul Schulten. Toen Gerrit Jan nog leefde, ging ik nooit naar zoiets. Het is gekomen door Edgar Vos. In 1995 zag ik een televisieprogramma, waarin hij vertelde over zijn ervaringen in het jappenkamp. Daar was ik erg door geraakt. Daarop heb ik hem een brief geschreven en is er een vriendschap tussen ons ontstaan. Vanzelfsprekend ben ik toen zijn shows gaan bezoeken en ik had voor het eerst het gevoel dat ik weer ergens bij hoorde. Want na de moord voelde ik me zo afgescheiden van de wereld waarin ik samen met Gerrit Jan had gestaan. Nu leerde ik nieuwe, fijne mensen kennen, ik kreeg weer iets van een sociaal leven.
Maandag 11 september
Alle afspraken die ik voor vandaag had staan, heb ik afgezegd. Toen ik gisteravond om half tien naar bed ging, was ik zo verschrikkelijk moe. En morgen wil ik fit zijn. Nog één keer lees ik hardop het fragment dat ik tijdens de presentatie zal lezen. Het gaat over de avond waarop ik thuiskom en hoor dat Gerrit Jan wordt vermist. Bij de laatste zin krijg ik het nog steeds moeilijk. Ik had Jeroen Krabbé willen vragen het te lezen, of Anne-Wil Blankers. Maar Alex zegt dat ik het best zelf kan en dat dat ook meer indruk maakt. Omdat het mijn verhaal is.
Dinsdag 12 september
Aanvankelijk zou De verzoening pas in oktober verschijnen. Dus had ik een winterpakje laten maken voor de presentatie. Gelukkig besluit de Arbeiderspers het feest vanwege het zomerse weer buiten te houden, onder het lover van de diepe grachtentuin. Dat scheelt alweer.
Als ik om vijf uur aankom, probeert Tonny Eyk de vleugel uit, die in een hoek van de tuin staat. Zijn spel is een cadeau aan de familie. Hij was een 'gevleugelde vriend' van Gerrit Jan, hij heeft ook op zijn crematie gespeeld.
Als tegen zessen alle gasten er zijn – ook mijn vroegere schoolvriendinnen Trudi Eggers en Ageeth Scherphuis – neemt Lex Jansen, de uitgever, het woord. Hij vertelt hoe Alex hem had warm gemaakt voor dit 'project', en hij roemde onze samenwerking. Het is waar: we waren op een gegeven moment zo op elkaar afgestemd, dat Alex zomaar de pseudoniemen raadde die ik had bedacht voor sommige mensen die om veiligheidsredenen niet met hun eigen naam in het boek mochten.
Er zijn veel 'vips' gekomen, zowel uit het politieke als uit het culturele leven, maar ook mensen die een belangrijke rol in ons leven hebben gespeeld toen Gerrit Jan zoek was; mensen van Ahold, van de politie… En natuurlijk zijn mijn kinderen er allemaal, en alle kleinkinderen die konden.
Alex houdt een geestige speech, luchtig, om, zo heeft hij mij van tevoren uitgelegd, het fragment dat ik zal lezen nog meer tot zijn recht te laten komen: het is de passage waarin ik nietsvermoedend terugkom van een fietsdriedaagse en verwacht Gerrit Jan thuis aan te treffen. Als ik begin, wordt het meteen doodstil. De camera van Kruispunt draait – onopvallend, rekening houdend met een zekere schuwheid die ik in de loop van mijn leven heb ontwikkeld voor alles wat publiek is. Ondertussen voel ik de nabijheid van Gerrit Jan, al dagen voel ik die. Ik schrijf 'voel', maar ik bedoel 'weet'. Hij staat achter me, naast me, is om me heen. 'Toe maar, lieverd,' zegt hij.
Met mijn intimi stap ik na de presentatie op een salonboot uit 1895, die voor de uitgeverij aan de Herengracht ligt aangemeerd. Mijn broer is er ook, samen met zijn vrouw. De kleinkinderen vinden het allemaal reuze interessant, vooral het boek, waarvan ze elk een exemplaar hebben gekregen, mijn oudste kleindochter Guinivere het allereerste. 'Maar hoe was het dan precies gegaan?' vragen ze. 'En wat deed je in Indië toen je klein was?'
Buiten wordt het donker. De bruggen waar we onderdoor varen, zijn feeëriek verlicht.
Woensdag 13 september
Als ik drie uurtjes heb geslapen, is het veel. In mijn hoofd is het een drukte van belang. Ik bel de uitgever om hem te bedanken voor de geweldige presentatie. Er worden bloemen gebracht, het regent e-mails, de telefoon gaat onophoudelijk. Om half elf komt de fotograaf van NRC, Maurice Boyer. Ik vraag of ik er nu eens sportief op mag staan, bijvoorbeeld met mijn fiets bij de vijver naast ons huis. Hij vindt het wel grappig, geloof ik.
Ronald Jan vertrekt naar West-Friesland. Bij Alex thuis worden ze samen nog geïnterviewd voor de uitzending van Kruispunt, aanstaande zondag.
Ik probeer tot rust te komen door wat te lezen. Geen romans, die lees ik amper meer. Boeken over de geschiedenis lees ik graag, over Mao – wat heeft die man huisgehouden! – maar net zo goed over de Windsors, het verhaal van Farah Diba of Koningin Noor van Jordanië, of de memoires van Madeleine Albright.
In NRC kom ik weer een bericht tegen over Natascha Kampusch. Ik hoop toch zo dat ze haar met rust laten en haar geen trauma aanpraten.
Natuurlijk kan en mag ik haar geschiedenis niet met die van mij vergelijken, toch moet ik denken aan de eerste avond van Gerrit Jans verdwijning. Ik kwam binnen en de psychiater zat hier al! 'Ik heb nooit met psychiaters te maken gehad,' zei ik tegen hem, toen ik hem een hand gaf. 'Ik vind het doodenge mensen. Ze keren je binnenstebuiten en niet meer terug.'
Donderdag 14 september
Ik laat me masseren door Willemien. Al jaren kom ik bij haar, in 1987 al. Dan hoefde ze me maar met een vinger aan te raken of ik kreeg een huilbui. Maar nu gaat het goed met me. In geen tijden heb ik me zo jong gevoeld. Het leven is mooi.
Libelle, 11 september 2006
door Wieke Biesheuvel
Er zijn gebeurtenissen waarvan je nog precies weet waar je zat toen ze plaatsvonden. De moord op John F. Kennedy, de doodstijding van prinses Diana, de aanslag op de Twin Towers in New York. En zo staat ook de persconferentie mij nog helder voor de geest, waarop uit de doeken werd gedaan wat er was gebeurd met Gerrit Jan Heijn, de broer van Albert Heijn, na zijn mysterieuze verdwijning op 9 september 1987. Ik wilde er niks van missen, maar moest wel mijn jongste zoon, een drukke peuter, steeds uit het beeld plukken. Na die uitzending had ik het gevoel dat ik wel wat wist, maar lang niet alles. Ik had háár verhaal willen horen, het verhaal van Hank Heijn, de weduwe en haar gezin. Wat was er allemaal gebeurd achter die muren van De Wiltzangk, het landgoed van Albert Heijn waar de hele familie om veiligheidsredenen was ondergebracht? Wat hadden zij al deze maanden doorstaan? Zieke, wrede brieven waren hun toegestuurd, een bandje met de stem van hun man en vader, zijn bril, en uiteindelijk zijn pink.
'G.J. zal de eerste tijd met pianospelen wat last hebben, maar de wond geneest al goed,' schreven de ontvoerders in de brief die het filmkokertje, waarin de vinger was gestopt, begeleidde. Kun je na zoiets ooit nog slapen, vroeg ik me af, lachen, liefhebben?
Het verhaal van mevrouw Heijn kwam er niet. Al die jaren hield ze haar mond. Tot vandaag.
'Aanbiedingen waren er genoeg,' schrijft ze voor in De verzoening, het boek dat deze maand verschijnt en waarin ze haar verbijsterende relaas dan toch eindelijk doet, tot in detail verteld aan schrijver Alex Verburg. 'Ik heb het nooit gewild; niet voor de televisie, niet op de radio, niet in de krant. De liefde, de dood, het is allemaal zo intiem. En het viel me al ontzaglijk zwaar dat door de plotselinge verdwijning van Gerrit Jan ineens een groot deel van ons leven openbaar werd gemaakt, in woorden waarin we ons vaak niet herkenden.'
Waarom nu dan wel? Ze schrijft over de duizenden en duizenden brieven die zij en haar gezin hebben ontvangen, 'niet zelden van mensen die zich optrokken aan de manier waarop wij met ons drama omgingen. Natuurlijk waren we onthutst over het Kwaad dat ons zijn wreedste gezicht had laten zien en wilden we dat het niet was gebeurd. Maar in plaats van te wijzen naar de moordenaar, koesterden we ons liever in de schat aan herinneringen die Gerrit Jan ons had nagelaten en richtten we onze blik op de toekomst, waarin we, misschien wel sterker dan ooit, verder zouden gaan.
'Dit jaar zouden Gerrit Jan en ik vijfenzeventig zijn geworden en ongetwijfeld ons gouden huwelijksjubileum hebben gevierd – we waren elkaars grote liefde en vormden met onze kinderen een hecht gezin. Ondanks veel verdriet dat mijn pad heeft gekruist, kijk ik met diepe dankbaarheid terug op mijn leven. Indachtig de mensen voor wie wij, zonder het te weten, destijds een voorbeeld zijn geweest, wilde ik alsnog mijn verhaal één keer vertellen.'
We zitten in de lichte huiskamer van De Elshof, de villa waar mevrouw Heijn na de moord op haar man is blijven wonen. De kleuren blauw, zandgeel en oker domineren de ruimte en lopen bijna vloeiend over in de parkachtige tuin. Naast de open haard staan in zilveren lijstjes portretten van de kinderen, de kleinkinderen, en natuurlijk foto's van haar samen met haar echtgenoot: een vlot stel in de kracht van hun leven.
Dat is de enige reden dat u uw verhaal hebt verteld: een voorbeeld stellen?
'Nou - zeg trouwens maar jij, hoor – het heeft natuurlijk ook een louterende werking op mij gehad, het vertellen van mijn verhaal. Na de moord op Gerrit Jan ben ik allemaal verre reizen gaan maken, de ene na de andere. Tot op een dag mijn lichaam niet meer wilde, alles zat gewoon op slot. Toen heb ik me teruggetrokken en ben ik voor mezelf en voor de kinderen dingen gaan opschrijven, van me af gaan schrijven. Een verdriet dat er loskwam…! Dagen-, nachtenlang heb ik gehuild.
Mijn moeder heeft destijds eigenlijk hetzelfde gedaan. Wij woonden in Nederlands-Indië, daar ben ik geboren. Zij, mijn broertje en ik werden gevangengezet in jappenkampen, mijn vader was zoek. Op het schaarse papier dat er was, is mijn moeder toen dagboekbrieven aan hem gaan schrijven, brieven die ze dus nooit kon versturen, maar die haar wel door die ellendige periode heen hebben geholpen.'
Je had een ingewikkelde band met haar, maak ik op uit 'De verzoening'.
Ze schiet vol. 'Ik ben in de rimboe geboren. Daar was natuurlijk geen school. Dus werd ik op mijn zesde al naar een internaat gestuurd. Daar heerste een ijzeren tucht, ik ben er mishandeld. Mijn ouders kende ik eigenlijk niet. Knuffelen? Op mijn verjaardag kreeg ik een zoen van mijn moeder, dat was het wel zo'n beetje. Ze hield van me, hoor, dat lees ik ook wel in haar dagboekbrieven. Maar het was een verscheurd leven. Ook in de kampen was ik, een meisje van tien, volledig op mezelf aangewezen. Mijn moeder kreeg hongeroedeem, mijn broertje dreigde te bezwijken aan de dysenterie. Om aan wat extra eten voor hen te komen, ging ik in de houtkap werken; lange dagen, met de bijl op de rug het bos in, kappen en boomstammen sjouwen. Loodzware arbeid. Onderweg naar 'huis' plukte ik stiekem blaadjes van struiken waarvan ik wist dat ze veel vitaminen bevatten. Dat was ten strengste verboden. Ik verstopte ze in het badpakje dat ik droeg – een rimpelbadpakje met daaronder een bruin plissérokje, elke dag hetzelfde.'
Op het stoomschip dat jullie na die jaren van ontbering terug naar Holland bracht, nam je je voor: nooit meer verdriet, nu alleen nog maar lachen en plezier maken.
'Ja, dat dacht ik.' Ze glimlacht. 'Vooruitkijken, dat is voor mij wel een sleutelwoord. En Gerrit Jan werd natuurlijk dé grote goedmaker van mijn leven. Ik wist het meteen toen ik hem zag. Als er zoiets als reïncarnatie bestaat, dan moet ik hem al uit een vorig leven hebben gekend. Ageeth Scherphuis, een jeugdvriendin van mij, zei het treffend in een speech die ze hield toen ik vijfenzestig werd: “Gerrit Jan was jouw thuishaven.” Zo was het precies.'
Ik dacht dat zij hem saai vond, en stug.
'Mijn vriendinnen vonden dat allemaal. Hij was in het begin erg gereserveerd. Terwijl ik een wilde meid was, onbesuisd - ik heb vroeger wel zeven keer mijn arm gebroken. En na die Japanse bewakers in het kamp duldde ik natuurlijk geen enkel gezag meer. Mijn leraren Nederlands en Latijn voorspelden dat er niks van mij terecht zou komen. Ze vonden mij brutaal, terwijl ik dat niet was. Maar na vier jaar gevangenschap, het internaat niet meegerekend, moest ik mijn energie kwijt. Ik wilde bruisen. Het was Gerrit Jan die er de balans een beetje in bracht: ik werd rustiger, hij vlotter.'
Ze lacht meisjesachtig. Zo ziet ze er ook uit, als een meisje, met haar helderblauwe ogen, de fleurige sjaal in het haar, het zalmroze broekpak dat ze draagt. Ze vertelt hoe zij heeft geprobeerd, met wisselend succes, haar kinderen wel te liefkozen en ze in elk geval lang aan de borst te houden; hoezeer vooral haar zoon Ronald Jan daar behoefte aan had, volgens haar de meest kwetsbare van de vier kinderen die zij en haar man kregen.
In 'De verzoening' spreek je buitengewoon intiem over je leven, je huwelijk, je kinderen.
Hoe vinden zij dat?
'De kinderen moesten er eerst niets van hebben. Ook natuurlijk door Ronald Jan, die zo vaak in het nieuws is geweest, ze hadden schoon genoeg van de publiciteit. Maar nu ze het hebben gelezen, is het veranderd. Ze zijn onder de indruk. Ze kijken ook anders naar mij, merk ik, ze begrijpen me beter. Van hun vader, dat hebben we natuurlijk met elkaar beleefd. Maar wat er allemaal in mijn jeugd is gebeurd, daar hebben ze nooit zo bij stilgestaan.'
Als je die ervaringen nu naast elkaar legt, de verschrikkingen in het kamp en de verdwijning van je man, wat heeft dan de diepste wonden geslagen?
'Het meest vreselijke wat ik beleefd heb, is de ontvoering.' Opnieuw tranen, ze grijpt naar haar keel. 'Dat raak ik nooit kwijt, dat komt iedere keer weer boven. En daarna de aardbeving die ik in het kamp heb meegemaakt. Dat was zo erg. Ook daar blijf ik mijn leven lang gevoelig voor. Ik heb hier thuis ook de tsunami gevoeld. Ik schrok wakker uit mijn slaap en schoot omhoog. Een beving, diep in de aarde – ik wist het meteen. De volgende ochtend was het op de radio. Ik heb verschrikkelijk gehuild. Net als toen het misging met Ahold, dat was ook zoiets. Het was op een nacht in februari 2003. Ik lag op bed en hoorde hoe iemand door de slaapkamer liep en naast me kwam liggen, mijn hoofd streelde, er kusjes op gaf. Dat was Gert, ik wist het gewoon. Daarna begon hij te schreien, zo hartverscheurend te schreien. “Wat is er?” vroeg ik. Toen werd ik wakker, zonder dat ik antwoord had gekregen. Maar dat kwam een paar dagen later. Op zondagavond 23 februari werd ik gebeld door een oud-collega van Gerrit Jan: de top van Ahold, waarin voor het eerst in de geschiedenis geen familie meer zitting had, trad af wegens fraude en mismanagement.'
Wat mij heeft verbaasd, is dat ik al lezende in 'De verzoening' zó met jullie begon mee te leven, dat ik de dramatische afloop, die natuurlijk bekend is, gewoon vergat. Dat zal komen door de manier waarop het is geschreven, maar ook door jouw rotsvast vertrouwen: heel Nederland geeft de moed op, zelfs twee van je kinderen, maar jij blijft hopen. En al lezende ik dus met jou, tegen beter weten in.
'Ja, Corinne, de oudste, was de eerste die liet doorschemeren dat ze twijfelde aan een goede afloop. Volgens mij was dat kort nadat ik op televisie de ontvoerders van Gerrit Jan zo ongeveer had gesmeekt om hem alsjeblieft vrij te laten, zodat we met kerst weer samen zouden zijn. Daar schrok ik van, hoor. Zo mocht Corinne niet denken. Zouden we niet meer geloven in een veilige terugkeer van Gerrit Jan, wat waren we dan nog waard? We zouden álle moed verliezen en tot niets meer in staat zijn.'
En dan is het zover…
'Ja, en dan is het na zeven lange maanden zover. En dan is er opluchting, dan is die tergende onzekerheid voorbij. Dan wil je weten wat er precies is gebeurd, wat Gerrit Jan nog heeft gezegd, gevoeld, doorstaan. Daarom ben ik met de kinderen ook naar de rechtszaak gegaan. Ab, mijn zwager, niet. Ik wel. Het hoorde erbij.'
Je hebt de moordenaar een lange brief geschreven. Dat je dat kon!
'Daar zijn wel wat jaren overheen gegaan. Ik moest eerst door allerlei fases heen, van ontkenning, boosheid, erkenning, berusting en uiteindelijk aanvaarding. Hij had mij eerst geschreven en ik vond wel dat ik moest antwoorden.'
Ze staat op, zegt dat ze lekkere boekweitsoep voor me heeft gemaakt, lichter dan rijst. Met kruiden uit de tuin. Waarom loop ik niet even mee naar de keuken? Dan kan ik meteen de fotocollages zien die ze er heeft hangen, haar hele leven op een paar wanden. Sommige foto's herken ik uit het boek. 'Ben je vegetariër?' vraagt ze. Ze kijkt naar mijn handen, die artrose verraden. 'Weet je wat goed is?' Voor ik het weet stopt ze me een paar boeken toe over gezond leven. 'Neem maar mee.'
Denk je nog vaak aan je man?
'Soms voel ik hem om mij heen, vooral 's nachts, bij de schittering van een sterrenhemel. Toen we in de ontvoeringstijd bij mijn zwager logeerden, had ik een kleine kamer voor mezelf, boven. Ik had wat dingetjes om me heen verzameld om me meer thuis te voelen, en onder mijn kussen lag altijd zijn foto. De anderen begrepen er niks van, maar al vroor het dat het kraakte, 's nachts stonden mijn ramen wijd open. Dan zochten mijn ogen de hemel af naar sterren en sprak ik met Gerrit Jan, stuurde hem energie. “Waar ben je? Zie jij dezelfde sterren als ik? Volhouden, Gert, niet opgeven!”'
Nog even over die brief aan Ferdi E.: waarom heb je je kinderen daar pas achteraf over verteld?
'Ik wilde me niet van mijn besluit laten afbrengen.'
Bestond die kans?
'Ik weet het niet. Maar zodra ik hem had verzonden, heb ik hem ook naar de kinderen gestuurd. Dennis zat in Amerika en reageerde meteen, per e-mail. Hij vond het “een knappe brief”. Mijn oudste dochter vond alles goed, als het mij maar rust gaf. Ronald Jan zag er een verzoening in met mijn leven, mijn lot. Hij was ook degene die het direct toejuichte dat ik Alex mijn verhaal ging vertellen. Volgens hem zou het me helpen de dingen een plaats te geven, te ordenen, en door het boek is dat ook zeker gebeurd. De kinderen begrijpen mij beter, maar ik mezelf ook.'
En je jongste dochter?
'Het boek vindt ze prachtig, maar over die brief was ze woedend. Hoe kon ik de man schrijven die haar vader had doodgeschoten? Hoe kón ik? Ik ken haar temperament en de volgende dag was ze weer kalm, maar ik schrok er toch van en moest ook huilen.'
Heb je Ferdi E. vergeven?
Ze zwijgt even, en zegt dan: 'Gerrit Jan was het dierbaarste wat ik had.'
De Gooi- en Eemlander, Noord-Hollands, Haarlems en Leidsch Dagblad, IJmuider Courant, Almere Vandaag, 9 september 2006; Het Parool (GPD), 11 september 2006
door Jan Vriend
Verzoening, maar geen vergeving
BOEK OVER ONTVOERING GERRIT JAN HEIJN
Een paar minuten televisie en heel Nederland kende haar. De ongerustheid
van Hank Heijn om haar ontvoerde man trilde van het beeldscherm. Op het
moment van haar oproep was Gerrit Jan Heijn 86 dagen zoek. En hoopte zij nog altijd op zijn terugkeer. Deze week verscheen het boek 'De verzoening', waarin Hank Heijn terugblikt op haar leven, maar vooral op de ontvoering.
Zeven maanden zaten er tussen zijn verdwijning en het échte afscheid van Gerrit
Jan Heijn. Dreigend met een pistool dwong Landsmeerder Ferdi E. de
Ahold-topman op de ochtend van 9 september 1987 bij zijn huis in Bloemendaal
in zijn auto te stappen. Dezelfde dag - aan het begin van de avond - schoot
E. zijn slachtoffer dood. Om de familie later onder druk te zetten,
sneed hij een pink af. Daarna begroef hij Heijn onder de bomen.
In brieven - waarin hij suggereerde dat het slachtoffer nog leefde - eiste
hij losgeld en diamanten. In de brief die de pink begeleidde, schreef
E. dat 'G.J. de eerste tijd moeite zal hebben met piano spelen'. Volgens
zijn instructies antwoordde de familie met kleine advertenties in de kranten, maar de onderhandelingen verliepen stroef omdat E. zijn afspraken
niet nakwam. Na zenuwslopende weken liet de familie het losgeld 's nachts
langs een weg afleveren, in de hoop het slachtoffer snel terug te zien.
Tevergeefs. Met een indrukwekkende oproep op televisie probeerde Hank Heijn
een week na de losgeldoverdracht de ontvoerder - of ontvoerders - te bewegen
haar man alsnog vrij te laten, zodat ze met kerst weer samen zouden zijn. Maar hoe indrukwekkend ook, het bracht niet het gewenste resultaat.
Duidelijkheid volgde pas in het voorjaar van 1988, toen E. in een
Amsterdamse slijterij herhaaldelijk betaalde met 250 gulden. Aan de nummers
was te zien dat het om biljetten uit het losgeld ging. De recherche
arresteerde de Landsmeerder, waarna hij dezelfde dag een bekentenis aflegde
en vertelde waar hij zijn slachtoffer had begraven. E. was een werkloze
ingenieur die zich na een mislukte loopbaan tegen de maatschappij keerde. De
psychiater die hem onderzocht omschreef hem als iemand die 'een vergaand gevoel heeft dat hij geen gevoel heeft'. Ferdi E. kreeg - ook in hoger beroep - twintig jaar celstraf.
DIEPE DANKBAARHEID
Hank Heijn wilde er nooit over praten. ,,De liefde, de dood, het is allemaal
zo intiem, en het viel me al ontzaglijk zwaar dat door de plotselinge
verdwijning van Gerrit Jan ineens een groot deel van ons leven openbaar werd
gemaakt, in woorden waarin we ons vaak niet herkenden”, schrijft Hank Heijn
in haar voorwoord. Nu wil ze haar verhaal wél kwijt. Dit jaar zouden zij en
haar man hun gouden huwelijksfeest hebben gevierd en zouden ze beiden 75
jaar zijn geworden. ,,Ondanks veel verdriet dat mijn pad heeft gekruist,
kijk ik met diepe dankbaarheid terug op mijn leven. Indachtig de mensen voor
wie wij zonder het te weten destijds een voorbeeld zijn geweest, wil ik
alsnog één keer mijn verhaal vertellen.” Ze laat optekenen dat haar man nog
dagelijks in haar gedachten is: ,,Mijn manier om met hem bezig te zijn, is
onder meer het vertellen van dit verhaal.”
PLAKBOEKEN
Vorig jaar stond haar stem op het antwoordapparaat van schrijver Alex
Verburg. Ze had met bewondering zijn biografie van Liesbeth List gelezen en wilde praten. Of hij ervoor voelde om haar verhaal op schrift te zetten. Hij legde de roman
waaraan hij werkte terzijde en reed naar haar huis in Bloemendaal. Samen
praatten ze urenlang, dagenlang over haar leven. Een vol jaar was er intensief
contact. In plakboeken had ze alle details over de ontvoering vastgelegd.
Alles kwam aan bod: een vakantiedagboek van haar man, haar eigen notities van
jaren her en aantekeningen uit de jaren in de jappenkampen waar ze van haar
tiende tot haar veertiende jaar gevangenzat. ,,Tijdens onze gesprekken werden wonderlijke parallellen zichtbaar tussen die vreselijke jeugd en de ontvoeringstijd,”
vertelt Verburg. ,,Dat was ook wat ze tegen zichzelf zei, toen ze op die eerste avond van Gerrit Jans verdwijning in dat akelig lege bed stapte: 'Het is weer oorlog.' Ze voelde eenzelfde oerkracht opkomen als toen: nu kwam het aan op overleven. Dat had ze in haar kinderjaren goed geleerd.”
SPANNING
Het boek geeft een indringend beeld van het leven van de familie achter
Ahold. Via de pen van Verburg vertelt Hank Heijn over haar verkeringstijd,
de vriendschap maar ook de rivaliteit tussen Gerrit Jan en zijn oudere broer Albert, de band met de kinderen en vooral over de spanning in het gezin tijdens de
ontvoeringsmaanden. Uitgebreid gaat ze in op de verwachtingen, de hoop en
uiteindelijk het verdriet.
Een interview wil ze niet. In het boek staat echt alles wat er te vertellen valt, zegt ze. De meest aangrijpende passage uit het boek, zo laat ze desgevraagd via haar biograaf weten, is misschien het moment waarop ze zich het plezier realiseerde dat ze had na een fietsdriedaagse met haar vriendinnen, terwijl haar man amper honderd kilometer verderop onder grote spanning zijn laatste levensuren beleefde. ,,Precies op het moment dat ik afscheid nam van mijn vriendinnen, klonk in de avondschemering bij de bossen rond Renkum een kort, droog schot, dat een einde maakte aan het leven van Gerrit Jan. En
toen ik even later het groene laantje in reed waaraan ons huis lag, werd
zijn graf afgedekt met vroeg gevallen bladeren.”
BOOSHEID
Lang was er de boosheid. Boosheid omdat Gerrit Jan er niet was
toen zijn kinderen trouwden, boosheid omdat hij zijn eigen kleinkinderen nooit zou
leren kennen. Daarna kwam de depressie. “Niet dat ik het zelf op dat moment in de gaten had,” vertelt ze, “welnee. Depressie? Ik niet. Mij krijgen ze er niet onder.” Ze reisde de hele wereld over, maar werd er niet gelukkig van. ,,Ik sloeg voor mezelf op de vlucht.” Tot ze gezondheidsklachten kreeg. Uit medische onderzoeken bleek dat haar
niets mankeerde. ,,Misschien moet je eens pas op de plaats maken en niet
meer weglopen,” kreeg ze te horen.
Een jaar lang sloot ze zichzelf op in huis. Ze las alles wat ze over de
ontvoeringstijd had verzameld, bekeek oude videobanden en schreef alles over
haar leven van zich af. En ze huilde. Dagen- en nachtenlang.
Na dat jaar volgde de inkeer. ,,Ik hoef niet meer flink te zijn van mezelf.
Ik mag kwetsbaar zijn en fouten maken.” Nu komt ze weer onder de mensen, ze
zwemt, ze bridget en fietst. ,,Ik ben een gezegend mens.”
BRIEF
In maart 2003 kreeg ze een brief van Ferdi E.. Na zijn vrijlating schreef
hij haar onder meer: 'Ik heb iets gedaan wat je een mens niet mag aandoen.'
En: 'Ik schaam me dood. Ik zou wensen dat u me kunt vergeven.' Maar hij
vermeldde erbij dat zelfs zijn vrouw dat niet kon.
Het duurde twee jaar voor ze de moed had om antwoord te sturen. ,,Ik had
tijd nodig,” schreef ze. En verder: ,,Ik hoop dat uw heling voorspoedig
verloopt en dat u inzicht krijgt in uw proces, zodat u wat meer grip krijgt
op het leven en de bedoeling daarvan.” De laatste zinnen: ,,Gerrit Jan is
ondertussen nooit uit mijn gedachten. Hij was het dierbaarste wat ik had.”
In het boek vertelt ze dat ze 'na Gerrit Jan' geen man of minnaar
meer heeft gehad. ,,Er was niemand die aan hem kon tippen. Dat heb je met
grote liefdes.”
LOT
Ze is gelukkig met het boek. Alex Verburg: ,,Er is een rust over haar gekomen, een soort ordening in het hoofd, zo heeft ze me verteld. 'Mijn kinderen begrijpen me beter,' zei ze, 'maar ik mezelf ook'.”
Zo minutieus terug te kijken op haar leven, leidde tot een verzoening, een verzoening met haar lot, met het leven dat ze kreeg te leven. Met alle plussen en minnen. De
plussen voorop. ,,Het is ongelooflijk hoe positief mevrouw Heijn en ook haar kinderen het leven tegemoet treden, dat is echt opvallend,” zegt de schrijver. “Ze koesteren zich liever in de mooie herinneringen, dan dat ze zich verliezen in rancune of haat. Vooruitkijken luidt daar zo'n beetje het parool.”
Met schrijver Verburg sprak ze lang over de vergeving waar de moordenaar van
haar man in zijn brief op zinspeelde. Ze weet het nog niet, de tijd zal het leren. ,,Ze zei: 'Misschien zal ik het hem ooit kunnen vergeven, vergeven wat hij mij heeft aangedaan. Nooit wat hij Gerrit Jan heeft aangedaan. Dat kan alleen Gerrit Jan zelf'.”
De advertenties, het losgeld en de auraloog
De ontvoering van Gerrit Jan Heijn beheerste in 1987 maandenlang het nieuws. Maar hoe zat het ook alweer precies? De belangrijkste feiten nog eens op een rijtje.
DE ADVERTENTIES
Omdat de familie Heijn er rekening mee hield dat de ontvoerders hun
slachtoffer de krant zouden laten lezen, plaatsten ze advertenties om hem een
hart onder de riem te steken. 'Moral boosters' noemden ze die.
Buitenstaanders zouden er niets van begrijpen, maar hij zou zich gesterkt voelen door zinnetjes als 'Kusjes van Drolletje Drie' en 'Mozes, niet
zeuren', die verwezen naar bijnamen en gezegdes binnen de familie.
DE PINK
Het was steeds geheim gehouden dat 'de ontvoerders' hun eisen kracht hadden
bijgezet door de familie een pink van Gerrit Jan Heijn toe te sturen. De
Telegraaf wist ervan, maar publiceerde niet. Toen het Algemeen Dagblad en weekblad Aktueel ruim twee maanden na de ontvoering aankondigden het nieuws
wél te zullen brengen, probeerde de Ahold-directie hen op andere gedachten
te brengen. ,,We hebben de indruk dat we met zeer gevaarlijke mensen te
maken hebben. Als die zich opgejaagd voelen, kan dat desastreuze gevolgen
hebben voor de heer Heijn.” Het overtuigde de redacties niet. Toen het AD
en Aktueel tóch vasthielden aan hun publicatieplannen, besloot de familie dat het nieuws dan maar 'breeduit' naar buiten gebracht moest worden. Andere
kranten en het Journaal werden ingeseind. Die avond werd de pink
wereldnieuws. Haastig trok Albert Heijn advertentiepagina's voor de volgende dag terug,
waarin een aanbieding stond van 'vers gesneden producten'.
HET LOSGELD
De familie Heijn had destijds grote problemen om aan de eisen van de
ontvoerders te voldoen. Per brief was om 12.000 bankbiljetten gevraagd in
guldens, marken en Amerikaanse dollars. Die waren te regelen. Maar het bleek onmogelijk om aan de eis te voldoen om snel met duizend diamanten van
zogenoemde D-kwaliteit te komen. Vanuit het Ahold-kantoor in
Zaandam werd de hele aardbol afgebeld, maar zoveel diamanten van die
allerbeste kwaliteit bleken in de hele wereld helemaal niet te bestaan.
Bestellen kon wel, maar de levering zou zeker drie maanden duren.
Uiteindelijk werd besloten om diamanten van een lagere kwaliteit te kopen,
maar die in een grotere hoeveelheid aan te bieden zodat er een partij met
een vergelijkbare waarde (tegen de vier miljoen dollar) ontstond.
Na de ontvoering kwam het hele bedrag - op 250 gulden en twee
diamanten na - terug.
DE OVERDRACHT
Hoewel was afgesproken dat de politie zich op de achtergrond zou houden bij
de losgeldoverdracht, toonde het NOS-journaal de dag erna al beelden van de
plek waar het geld en de diamanten waren achtergelaten. In de reportage was
een helikopter te horen en portofoonverkeer tussen politiemensen waaruit
bleek dat de ontvoerders ongezien met de buit waren weggekomen. De familie
Heijn was razend. Ze vreesden het ergste. Meteen besloten ze in de volgende
nieuwsuitzending een verklaring af te leggen. Daarin zeiden ze geschokt te
zijn over de berichtgeving. Tegelijk benadrukten ze dat ze hoopten op 'een
veilige terugkeer van Gerrit Jan'.
DE AURALOOG
Tijdens de ontvoeringstijd was een auraloog de steun en toeverlaat voor het
gezin Heijn. De politie en Ahold hadden weinig met de man op, maar mevrouw Heijn en haar zoon Ronald Jan betrokken de man bij vrijwel elke stap. Van hen mocht hij het bandje horen met de stem van Gerrit Jan en ze maakten hem deelgenoot van de brieven die ze van de ontvoerder kregen. De auraloog hield tot het laatst vol dat de heer Heijn nog in leven was. Mevrouw Heijn laat hem niet vallen. ,,Hij heeft me hoop gegeven. Waar zou ik al die tijd zijn geweest zonder hoop? Dat die vals bleek, dat is kennis achteraf.”
DE UITKERING
In de zomer van 2001 kwam Ferdi E., de moordenaar van Gerrit Jan Heijn,
vrij. De familie Heijn was ontsteld toen bekend werd dat hij naar huis mocht
met zeven ton aan achterstallige wao. Het pijnlijke toeval was dat Ronald
Jan in dezelfde periode zeven ton aan het GAK moest betalen - nadat hij
eerst met zijn ideële bedrijf Oibibio in betalingsproblemen was geraakt. Samen met haar zwager Albert vertelde mevrouw Heijn op uitnodiging van NOVA hoezeer haar rechtsgevoel door de uitkeringskwestie op de proef was gesteld, waarna politiek Den Haag de wet veranderde.
Noord-Hollands Dagblad , 1 juli 2004
door Nico de Boer
'Er is veel, héél veel verdriet in Nederland'
IN 'EN NAJAGEN VAN WIND' STELT ALEX VERBURG DE MANAGERSCULTUUR AAN DE KAAK "Er is veel, héél veel verdriet in Nederland," zegt Alex Verburg. De schrijver herhaalt die zin enkele keren tijdens het gesprek. Want het zit hem hoog: "Ik krijg van die managerscultuur in Nederland echt helemaal de kots." Hij schreef er een boek over, 'En najagen van wind' gedoopt. Een titel die verwijst naar de zinsnede 'Alles is ijdelheid en najagen van wind' uit het bijbelboek Prediker.
Het is geen schotschrift geworden, maar een roman die de oprukkende managerscultuur ontrafelt aan de hand van het verhaal van een levensgenieter. Hij is journalist bij een groot weekblad, Lavendel. Een zondagskind van middelbare leeftijd dat in een identiteitscrisis belandt en wordt vermalen door de 'frisse wind' die managers, in dit geval vijf 'lekkere meiden', door het bedrijf laten waaien. Zacht ogende dames die de harde lijn voorstaan.
In die bedrijfscultuur worden werknemers niet beoordeeld op hun kwaliteiten, maar of ze passen in de 'format'. Of, zoals hoofdpersoon Peter op een moment van wanhoop in het boek verzucht: 'Winst lijkt wel de nieuwe religie; tabellen en urenlijsten heersen over de creativiteit, het is allemaal zo berekenend geworden. Ik kan daar niet tegen.'
Peter interviewt een komiek, de laatste van 'de Grote Drie' (waarin Toon Hermans valt te herkennen), die in het boek zegt: 'Schrijven kun je alleen als je werkelijk vrij bent, eigenlijk kun je ook alleen maar leven als je werkelijk vrij bent. En ik voel zoveel spanning onder de mensen dat er van vrijheid geen sprake is.'
WINST
In de tuin van zijn majestueuze stolp, achter de brede rug van de West-Friese Omringdijk, zegt Alex Verburg: "Alles lijkt tegenwoordig alleen nog maar te zijn gericht op de economie. Op winst. Op de markt. Het is het failliet van de samenleving. Laatst las ik interviews met jongeren die net eindexamen hadden gedaan. Er werd hun gevraagd wat ze daarna gingen doen. Er was een jongen die wilde manager worden. Waarom manager, werd hem gevraagd. Ik wil mensen aansturen, zei hij. Tja, ligt je hele leven open, is er nog van alles mogelijk, wil je manager worden! Straks zit heel Nederland vol met mensen die andere mensen willen aansturen, maar hebben we geen mensen meer die aangestuurd kunnen worden. Terwijl de vreugde natuurlijk toch ligt in het ambacht. Dáár ligt de vervulling."
"Al dat managementgedoe, al dat denken in formats, in sjablonen, het is allemaal zo star en kunstmatig. Elk naturel wordt om zeep geholpen. We gaan helemaal Amerika achterna, op weg naar een plastic samenleving. En daartegen voel ik een gigantisch verzet. Ik begrijp niet dat het zo kan voortwoekeren, dat mensen die geen kaas hebben gegeten van het vak dat je uitoefent, rustig kunnen beslissen over hoe jij je van die taak kwijt."
REACTIES
"Er is zoveel verdriet in Nederland. Je moest de reacties eens lezen die ik op mijn site binnenkrijg – terwijl het boek nog maar net uit is. Mensen die in precies hetzelfde schuitje zitten als Peter, die schrijven: goed dat het eindelijk eens wordt gezegd. Tjongejonge, wat leeft dit. In het onderwijs, in de gezondheidszorg, op universiteiten, het is overal prijs."
"Voor zover ik weet is er nog niet eerder een roman over dit thema verschenen. Niet dat ik er daarom over wilde schrijven, ik voelde een innerlijke noodzaak. Maar het mocht geen rancuneus boek worden en volgens mij ben ik daarin wel geslaagd. Het is een boek waar je ook smakelijk om kunt lachen."
In 'En najagen van wind' maakt de hoofdpersoon zowel op zijn werk als in zijn privé-leven een crisis door. Het goudvinkje wordt een gevallen zondagskind. Verburg: "Voor Peter is werk geen plicht, het is zijn grootste liefhebberij. Zijn werk is een wezenlijk bestanddeel van zijn leven. Maar op het moment dat het een plicht wordt met al dat zogenoemde 'format'-denken, komt de omslag. Als interviews een soort invuloefeningen worden, waarover ook nog in projectteams moet worden vergaderd en waarvan de projectleider dan weer verslag moet uitbrengen aan het managementteam, ja, dan wordt plezier plicht en krijgt het bestaan iets troosteloos, iets uitzichtloos. Het maakt Peter ziek. Hij denkt eerst nog dat het hém niet zal raken, ik laat me er niet onder krijgen, denkt hij nog, maar hij gaat er wel degelijk aan onderdoor."
BROOSHEID
De roman gaat over veel meer dan alléén de managerscultuur. Het gaat óók over het jachtige bestaan - het najagen van wind -, over een zoektocht naar (seksuele) identiteit, over (de broosheid van) geluk, over de vrouwen in het leven van de hoofdpersoon, over nestwarmte. Verschillende verhaallijnen raken gaandeweg steeds meer met elkaar verweven, met als aangrijpende apotheose een tragisch sterfgeval.
Is Lavendel gemodelleerd naar het weekblad Libelle waaraan Verburg jarenlang verbonden was? Afwerend: “Mag die opmerking voor jouw rekening komen? Nee, het is geen sleutelroman. Maar ik heb me wel door eigen ervaringen laten inspireren, ja. En volgens oud-collega's is de sfeer goed getroffen. Maar het blijft een roman. Het is ook geen schotschrift. Ik heb niets tegen al die baasjes persoonlijk, maar wel tegen dat onzalige concept dat ze vertegenwoordigen. Iemand vroeg: had je er dan geen zuivelfabriek van kunnen maken of zo? Ja, had gekund. Maar waarom zou ik? De wereld van de journalistiek ken ik zo goed, zo van binnenuit. En dat is toch wat je wilt: de lezers een waarachtig beeld schetsen."
In de roman worden veel mensen ook 'letterlijk ziek' van dit tijdsgewricht. "Als je mensen het plezier in hun werk ontneemt, worden ze ziek, en wie houd je dan over? De mensen die het allemaal niets uitmaakt, de jaknikkers, de meelopers, de middelmaat. En die middelmaat wordt vervolgens de norm. En zo zakken we steeds verder af in dit land. Het wordt steeds platter, ordinairder en dommer." Hij lacht, schudt zijn jongensachtige krullenkop. Bijna verontschuldigend: "Dit wordt wel een erg zuur verhaal, zeg. Dat is natuurlijk ook de tragiek van Peter. Hij troost zich dan maar met herinneringen aan gelukkiger dagen, naast humor zijn vluchtweg. Zo zit ik zelf ook wel in elkaar. Ik ben au fond een blijmoedig mens. Optimistisch. Maar langzaam maar zeker…"
Arabesken nr. 22, november 2003
door Peter Hoffman
U bent praktisch vanaf het eerste uur donateur van het Louis Couperus Genootschap en een groot liefhebber van Couperus' werk. De stijl en toon van uw roman Het huis van mijn vader is ingetogen en mooi aangepast aan de belevingswereld van de hoofdpersoon – een kind dat opgroeit tot puber – maar staat mijlenver af van Couperus' vaak bloemrijke, soms pompeuze manier van schrijven. Wat kan het werk van Couperus voor een modern auteur nog betekenen? Heeft u zich door Couperus laten inspireren en zo ja, op welke manier?
'De stijl van Couperus valt niet te imiteren, die is zo uniek en tegelijk ook zo verweven met zijn eigen tijd. Het zou potsierlijk worden als een schrijver nu zou proberen hem na te doen. Maar een modern auteur kan wel veel leren van Couperus, daar ben ik van overtuigd. Het gaat dan bijvoorbeeld om het ritme en de klank van de woorden. Ook als je meer ingetogen schrijft, kan dit een bron van inspiratie zijn. Verder denk ik aan de manier waarop hij een lezer als het ware dwingt door te lezen. De opbouw van vooral de romans met een langere adem vind ik grandioos. Hoe doet hij dat in 's hemelsnaam? Ik zou het niet weten. Hij was natuurlijk een geboren verteller en ik denk dat hij niet met strikte schema's heeft gewerkt. Ik weet daar eigenlijk niets van, maar ik vermoed dat hij zijn boeken op de stroom van de inspiratie heeft geschreven.
'Voor Het huis van mijn vader heb ik vooraf ook geen opzet gemaakt.
Het was de zangeres Aafje Heynis die vond dat ik me aan het schrijven
van een roman moest zetten. Haar opmerking kwam op een moment dat ik
aanliep tegen het zogenoemde formatdenken dat overal opdook en dat ook
in de journalistiek steeds meer terrein begon te winnen. Het klassieke
interview – waar toch wel enig vakmanschap voor nodig is en waar ik
me vrij bedreven in voelde – moest steeds vaker wijken voor lullige
vraaggesprekjes waarin Paul Witteman mocht vertellen wat er op zijn
nachtkastje lag. Dat bracht ik niet op. Dus daags na dat gesprek met
Aafje Heynis ben ik achter mijn bureau gaan zitten, heb denk ik zo'n
drie kwartier gezocht naar een geschikte openingszin en daarna heb ik
mijn gevoel gevolgd en ging het schrijven bijna als vanzelf.
'Bij mijn roman in wording, die half juni 2004 verschijnt, gaat het al net zo en ook als ik terugkijk op de interviews die ik heb gemaakt en op de totstandkoming van het boek dat ik op verzoek van Liesbeth List heb geschreven over haar leven, was het eigenlijk niet anders: intuïtie is de leidraad. Soms denk ik te weten welke kant het opgaat, maar dan ineens dringt zich iets op wat sterker is en loopt het toch weer anders. Op een receptie werd me eens gevraagd hoe het me afging met de schrijverij. Ik antwoordde dat het was alsof er thuis een geliefde op me wachtte die me straks weer van alles ging vertellen. Dat geeft mijn gevoel erover goed weer.
'Waarin Couperus me verder heeft geïnspireerd, is de relatie tussen de stemming waarin de personages verkeren en de omringende natuur, de wisseling van de jaargetijden. Dat is in Eline Vere al heel sterk. Hij had een bijzonder vermogen sferen te suggereren. De gemoedsstemmingen krijgen des te meer reliëf in het decor waarin hij ze plaatst, de omgeving, de seizoenen, de gure wind in Den Haag, de zomer op de Horze. Als je kijkt hoe hoofdstukken beginnen: “Nieuwjaar was gekomen met harde vorst…” of “Het regende: een koude, geeselende, Maartsche regen…” Het decor is meteen gezet. De variatie die hij erin aanbrengt, de manier waarop hij het verstrijken van de tijd, de wisseling van seizoenen en sferen voelbaar maakt, dat alles zorgt ervoor dat je als lezer meegenomen wordt in de stroom van gedachten en gebeurtenissen. Couperus blijft zo een bron van inspiratie, ook al kunnen we en mogen we hem niet nadoen.'
Het werk van Couperus speelt een belangrijke rol in Het huis van mijn vader. Olivier leest Floris voor uit Langs lijnen van geleidelijkheid en Legenden van de Blauwe Kust. Floris krijgt later de bundel De zwaluwen neêr gestreken… cadeau van Olivier. Is dit de ode van Verburg aan een groot schrijver, of heeft dit werk van Couperus nog een speciale betekenis in de roman?
'Het is misschien inderdaad een bescheiden hommage aan een van de belangrijkste schrijvers uit de Nederlandse geschiedenis. Ik schaam me er niet voor te bekennen dat mijn bewondering soms zeer ver gaat. We hebben hier thuis een grote verzameling eerste drukken. Dat zijn soms ware juwelen vanwege de bandontwerpen. Het is een genot om die boeken in je handen te houden. En toen een paar jaar geleden de stoel en de prullenmand van Couperus werden geveild bij Sotheby's, heb ik ijverig meegeboden. Maar het ging uiteindelijk zó ver boven de richtprijs, dat ik wel moest afhaken. Zonde, want ik dacht: als ik straks toch eens op zíjn stoel mag zitten schrijven, dan kan het toch alleen nog maar goed gaan?
'In Het huis van mijn vader speelt het werk van Couperus een belangrijke rol, omdat het past bij de figuur van Olivier, zijn manier van denken, zijn non-conformisme, maar ook zijn twijfels, de melancholie die hem vaak bevangt. Voor de jonge Floris staat het werk van Couperus voor de onbekende, geheimzinnige wereld waar hij nog geen weet van heeft, maar die hem fascineert en tegelijk angstig maakt. Het is een wereld die sterk contrasteert met het beschermde en geregelde milieu waarin hij opgroeit, en die zo een rol speelt in zijn toch vrij eenzame zoektocht naar wie hij is.'
Couperus laat zijn meest autobiografische roman Metamorfoze voorafgaan door de volgende 'waarschuwing' aan de lezer: '(…) En al zoû ik nu schrijven een boek, waarvan de held een modern auteur was: al zoû ik dien held laten schrijven werken, die verwant aan de mijne waren, de held zoû niet ik zijn, zijn kunst niet de mijne: en de roman zoû een roman blijven, niets dan een roman, en zich nooit realizeeren tot autobiografie.' Dit voorbehoud wordt heden ten dage nog graag door literaire auteurs gemaakt. Op de omslag van uw roman staat een jeugdfoto van uzelf. Hiermee lijkt u het autobiografische gehalte van uw verhaal juist te benadrukken. Hoe ziet u de verhouding tussen werkelijkheid en fictie in de romankunst in het algemeen en uw roman in het bijzonder?
'Voor mij telt primair of ik fijne uren aan een boek beleef. Ik heb soms moeite met het verzuilde denken dat zo buitengewoon hardnekkig is in Nederland. Al die hokjes, al die categorieën: mag je je na één boek al een schrijver noemen of pas na twee? Kunnen journalisten wel romans schrijven? Hoe autobiografisch mag een roman zijn om nog een roman te heten? Het gaat maar door. Terwijl ik denk: is het een mooi boek dat ik hier in handen heb?
'Voor Het huis van mijn vader heb ik mijn eigen leven als vertrekpunt genomen, dat is ontegenzeggelijk waar. Floris lijkt op mij. Zijn gevoeligheid, zijn kwetsbaarheid, zijn wens om het goed te doen, z'n hang naar harmonie. Er is een moment in het boek waarop Floris' moeder, terwijl ze staat te koken, vraagt of de bijlessen die hij krijgt nog wel nodig zijn. Zij weet niet dat er tussen hem en Olivier, zijn leraar, een vriendschap is ontstaan die de grenzen van een vriendschap zelfs overstijgt. Floris duikt dan met zijn hoofd in het aanrechtkastje en gaat omstandig en met veel kabaal op zoek naar de zeef voor de appelmoes, in de hoop dat zijn moeder de vraag vergeet. Dat ben ik ten voeten uit. Toch is het boek geen autobiografie. Op een bepaald ogenblik gingen de personages hun eigen weg en dat was heerlijk om te ervaren, die vrijheid.
'In mijn werk als journalist was ik nauwgezet, consciëntieus. Bandopnamen werkte ik bijvoorbeeld integraal uit om tot een zo getrouw mogelijk portret te komen: de lezer moest de geïnterviewde ontmoeten, niet mij. Als schrijver daarentegen mocht ik zomaar met de geschiedenis een loopje nemen, feiten naar mijn hand zetten of zelfs naast me neerleggen als het me zo uitkwam. Ik mocht de waarheid liegen. Ineens ging het niet meer om de werkelijkheid, wel om waarachtigheid.
'Die jeugdfoto van mij op de omslag was natuurlijk vragen om moeilijkheden. Geen interview of men begon erover, en dus over het autobiografische gehalte. De foto kwam tevoorschijn toen ik mijn boek bijna af had. Hij lag onder in een doos, ik vond hem terwijl ik op zoek was naar iets anders. Het was een schok: dit was zo helemaal de jongen uit het verhaal, zijn beeltenis sloot naadloos aan. Vorm en inhoud werden één. Ik heb hem na lang aarzelen – ik vond het nogal pontificaal, zo'n foto van jezelf - aan mijn uitgever gestuurd en hem de beslissing gelaten.'
U heeft veel bewondering geoogst met uw vraaggesprekken met verschillende nationale en internationale beroemdheden, die onlangs gebundeld zijn in Gelijk het gras – interviews over vergankelijkheid . In 1998 werd u voor uw interviews door het Nederlands Uitgeversverbond genomineerd voor de titel Journalist van het Jaar. Stel nu dat u een vraaggesprek zou kunnen voeren met Louis Couperus: wat zou u hem dan willen vragen?
'Dat zou
een lang gesprek worden! Het zou dagen duren, zo niet weken. Ik denk
dat ik toch door zou willen gaan op de relatie tussen leven en werken,
ook omdat Bastet in zijn prachtige biografie min of meer daarvan is
uitgegaan. Hoe ziet Couperus dit zelf? En dan zou ik doorvragen tot
in details, over de figuur van Orlando, over zijn jeugd, zijn ouders,
zijn relaties. Er zijn zoveel onbeantwoorde vragen. En er zijn zoveel
antwoorden die hij toen niet, maar in deze tijd wél zou kunnen
geven.
'Anderzijds… Ik las laatst van Frits Abrahams in NRC Handelsblad
een mooi stukje naar aanleiding van de Nobelprijs die naar Coetzee
ging, de schrijver die weigerde zich in een vraaggesprek rechtstreeks
over metafysische kwesties uit te spreken: interviews zouden zich daar
niet voor lenen, omdat de tijd voor reflectie ontbrak. “Schrijvers,”
zo betoogde Abrahams, "zouden vaker terughoudender moeten zijn
over hun bedoelingen, het zou hun werk zoveel geheimzinniger maken,
geschikter ook voor een eeuwigdurend debat. Nu worden hun woorden vaak
gehanteerd als een laatste oordeel: zó is het bedoeld, discussie
gesloten."
Dus ach, misschien is het wel goed dat Couperus zijn geheimen met zich
heeft meegenomen.'
NRC Handelsblad, 8 september 2003
door Mischa Spel
Alex
Verburg over Sergej Prokofjev
“Het
Gergiev Festival vroeg me of ik niet een monoloog wilde schrijven over
Prokofjev, die een definitieve terugkeer overweegt naar zijn vaderland.
Er mocht wel iets van 'die typisch Russische melancholie'
in zitten en 'een heimwee naar verloren gegane tijden'.
Maar ik wist weinig van Prokofjev. Natuurlijk kende ik wel wat van zijn
muziek, en ik had ooit opgepikt dat hij nou niet bepaald een warme persoonlijkheid
was. Dat was alles.”
Alex Verburg is schrijver en interviewer. Hij schreef onder meer Het
voorlopige leven van Liesbeth List (Archipel, 2001) en debuteerde
als romanschrijver met Het huis van mijn vader (Arbeiderspers,
2002). Voor het Rotterdamse Gergiev Festival schreef Verburg een monoloog
over de terugkeer in 1936 naar het Rusland van Stalin, die morgenavond
in De Doelen wordt opgevoerd.
“Ik ben gaan lezen. Prokofjevs memoires, zijn dagboeken, briefwisselingen.
De correspondentie met collega-componist Nikolaj Mjaskovski sprong er
voor mij uit. Je zou er nu makkelijk iets homo-erotisch in kunnen zien,
maar vanuit Prokofjev geloof ik niet dat daarvan sprake was. Wél
klinkt er uit die brieven een enorme wederzijdse gehechtheid. Ik ben
ervan overtuigd dat deze vriendschap een van de redenen is geweest waarom
Prokofjev is teruggekeerd naar het Rusland van Stalin.
“Mjaskovski en Prokofjev leerden elkaar kennen op het conservatorium
in Petersburg. Prokofjev was vijftien, Mjaskovski vijfentwintig. Ze
brachten uren samen achter de vleugel door, slenterden over de Nevski
Prospekt en trakteerden elkaar op blini en verse kaviaar. 'O God,
wat mis ik dat alles', laat ik Prokofjev dertig jaar later in
Parijs verzuchten. 'De stad, de taal, het landschap. De mest van
dampende paarden in de sneeuw, de echte Russische winters. Maar bovenal
jouw nabijheid. Weet je dat jij de laatste schakel bent met mijn jeugd?'
“Wat ik heerlijk vond toen ik mijn roman schreef, was dat je de
waarheid mocht liegen en kon woekeren met je eigen woorden in plaats
van die van een ander. Voor de portretten die ik als journalist schreef,
nam ik alle gesprekken op en werkte de banden integraal uit om in mijn
weergave zo dicht mogelijk bij de geïnterviewde te blijven. Díe
moest je als lezer horen, niet mij. Bij het schrijven van deze monoloog
keerde ik bij dat uitgangspunt terug. Alles wat ik Prokofjev laat zeggen
of denken, zou hij ook werkelijk gezegd of gedacht kunnen hebben.
“In zijn brief belooft Prokofjev aan Mjaskovski dat Leningrad
weer Petersburg zal worden, de stad van hun jeugd. Dat ze de gouden
koepels zullen laten blinken en dat ze Stalin zullen overleven. Het
wonderlijke lot wilde dat Stalin en Prokofjev uiteindelijk op dezelfde
dag overleden – Stalin iets eerder. Of Prokofjev daar nog weet
van heeft gehad, is twijfelachtig. Toen ik dat las, moest ik denken
aan Annie M.G. Schmidt. In de maand van haar dood vertelde ze me hoe
ze zich kon verheugen op het einde. Het enige dat ze erin miste was
dat ze, als het zover was, niet meer kon zeggen: 'Hè hè,
het is gebeurd.”
Libelle
nr. 9, maart 2003
door Wieke Biesheuvel
Het huis van mijn vader, zo heet de roman waarmee Alex Verburg vorig
jaar met succes debuteerde. Daarvoor schreef hij tien jaar lang interviews
voor Libelle. Een selectie daaruit is nu gebundeld, onder de
titel Gelijk het gras – interviews over vergankelijkheid.
Wieke Biesheuvel zoekt de schrijver op.
Op lezingen die
ik geef, wordt er nog altijd naar hem gevraagd: hoe is het toch met
Alex Verburg? Nadat ik een column had gewijd aan zijn aangrijpende roman
Het huis van mijn vader waarin ik zoveel uit mijn eigen jeugd had herkend
in de jaren vijftig en zestig, een tijd waarin, zoals Alex het zelf
omschrijft, 'de plastic zakjes nog werden uitgespoeld en aan de
lijn te drogen gehangen', kreeg ik een brief van een lezeres uit
De Rijp: 'U heeft er geen idee van hoeveel plezier uw column mij
heeft gedaan. Ik heb de interviews van Alex Verburg gemist. Ik vond
dat hij er een bijzondere gave voor had. Hij raakt altijd een aparte
snaar door zijn beschaafde manier van omgaan met zijn geïnterviewden,
zijn gevoelige en respectvolle vragenstelling, iets wat je eigenlijk
niet meer tegenkomt. Mocht u hem spreken, zeg hem dat hij nog steeds
een bijzonder plekje heeft in mijn hart en dat ik hoop dat het goed
met hem gaat.'
Ik heb de brief bij me als ik Alex opzoek in zijn reusachtige boerderij,
die praktisch aan het IJsselmeer ligt; een stoere stolp die zo vervallen
was toen hij hem kocht, dat de aannemer adviseerde 'm neer te
halen, maar die na noeste arbeid intussen de monumentenstatus heeft
gekregen.
Wat vind je van zo'n brief?
Hij glimlacht
van oor tot oor. "Dat doet goed. Grappig genoeg is het ook de teneur
van de brieven die op Het huis van mijn vader en Het voorlopige
leven van Liesbeth List zijn binnengekomen: mijn boeken worden
verre van braaf gevonden, want ik ga niets uit de weg, maar kennelijk
gebeurt dat op een toon die eerder ontroert dan aanstoot geeft. Ik vroeg
het aan een vriendin: 'Herken je in mijn boeken dezelfde hand als die
van de schrijver van de interviews?' Ze antwoordde: 'Voor de personages
in je boek toon je hetzelfde respect als voor de mensen die je interviewde.'
Daar was ik wel blij mee.
In mijn interviews is er geen vraag geweest die ik niet heb durven stellen.
Ik heb ook altijd antwoord gekregen, al trok de hoofdredactie daar later
weleens een wenkbrauw bij op: kon dit wel? Maar ik ben er altijd van
overtuigd geweest dat er niets is wat niet gezegd kan worden, als je
er maar voor zorgt dat het goed is ingebed in je verhaal en de nuance
krijgt die het nodig heeft. Ik weet nog dat Nico ter Linden, die ook
in Gelijk het gras is opgenomen, vertelde dat Jezus niet uit een maagd
geboren was. In het kerstnummer nota bene. Maar hij onderbouwde zijn
opvatting zo mooi, dat het toch kon. Hij begon over Oosterse beeldtaal,
beeldtaal van ook nog eens tweeduizend jaar geleden. 'Als ik u
zeg dat mijn geliefde een roos is en u begrijpt dat niet want u komt
uit Nepal en weet niet wat een roos betekent, dan moet ik u even uitleggen
dat in onze cultuur een roos iets anders is dan een brandnetel.'
Veel brieven, mooie brieven, serieuze brieven, maar geen enkele opzegging."
Hoe
kijk je terug op tien jaar interviewen voor Libelle?
"Van het gezin
waaruit ik kom, ben ik de op een na jongste, en ik weet nog goed hoe
fijn ik het vond als op zaterdag, zo tegen het eind van de middag, de
vrienden van mijn broers en zussen zich bij ons thuis verzamelden. Vooral
in de wintermaanden, als het dan buiten al begon te schemeren en de
kaarsen aan mochten op salontafel en schouw. Het liefst zat ik dan stilletjes
te genieten, ergens in een hoekje, zonder dat iemand acht op mij sloeg.
Want zo hoorde en zag ik nog het meest. Eigenlijk heeft dat gevoel mij
nooit verlaten: laat mij maar lekker luisteren. Volgens mij ligt daar
de kiem van wat ik later ben gaan doen.
Wat het zo bijzonder maakte om voor Libelle te schrijven, was het brede
publiek dat je ermee bereikte. Je kreeg altijd respons. Ik weet nog
dat op de eerste zomerweek een lezeres naar me toekwam, die zei dat
mijn interviews haar altijd iets meegaven waarop ze voort kon. Dat heb
ik als een groot compliment beschouwd. En wat ik vaak heb gehoord, is
dat mensen het gevoel hadden de geïnterviewde zélf te hebben
ontmoet."
Hoe
lukte je dat, jezelf onzichtbaar maken en tegelijkertijd die eigen kleur
aan je verhalen geven? Ik pikte ze er altijd uit.
"Ik denk dat het een nabijheid is die je als lezer proeft. Dat
dat de kleur is van mijn interviews. Je leest mij, maar je hoort de
ander. Zo moet het ook. Als interviewer ben je een medium, niet minder,
maar ook niet meer."
Isabel
Allende, Annie M.G. Schmidt, Toon Hermans, prinses Irene, Marten Toonder,
maar ook Jasperina de Jong, Connie Palmen, Rudi van Dantzig, Cecilia
Bartoli, Aafje Heynis, de Zangeres zonder Naam, Sylvia Millecam –
stuk voor stuk zijn het grote namen die in je interviewbundel voorkomen,
bijna veertig in totaal. Waarop heb je ze uitgezocht?
"De rode draad is de vergankelijkheid. Hoewel er ook veel vrolijks
in het boek is te beleven – Albert Mol merkt bijvoorbeeld blijmoedig
op dat hij niet van gisteren is -, klinkt er altijd iets van weemoed
in die interviews door, een heimwee naar de heerlijkheid van vroeger
dagen. We komen er vroeg of laat natuurlijk allemaal achter: de grote
vakantie die, toen je nog kind was, zolang duurde dat je er niet eens
overheen kon kijken, is ineens voorbij. Over dat gevoel gaat het boek.
Kort voor zijn overlijden sprak ik Toon Hermans, hij verwoordde het
prachtig. Hij had het over een zinnetje dat hij zijn hele leven met
zich mee had gedragen. Zijn moeder zei het altijd als hij iets kwijt
was. 'Ma, waar is m'n bril?', en dan zei zij: "Wo
is de schnee van 't veurig jaor?" Ze bedoelde er het eindeloze
zoeken mee, ook het zoeken naar dingen die er niet meer zijn. Waar is
de sneeuw van het vorig jaar gebleven? Waar is de liefde gebleven? Waar
is alles gebleven?"
En de titel, 'Gelijk het gras'?
"Dat
is een verdrietig verhaal. Ik was in Kaapstad, ik ontmoette er de echtgenote
van president De Klerk, een vrouw die op een of andere manier de boot
heeft gemist. Ze zei dat ze veel hartenpijn had van de vernederende
wetten van de apartheid, maar dat ze hoopte dat het land zich nu zou
richten op een mooie toekomst. 'Want,' zei ze, 'ons
leven is kort, gelijk het gras.' Dat komt uit een psalm: Gelijk
het gras is ons kortstondig leven, gelijk een bloem, die op het veld
verheven, wel sierlijk pronkt, maar kracht'loos is en teêr;
wanneer de wind zich over 't land laat horen, dan knakt haar steel,
haar schoonheid gaat verloren: men kent en vindt haar standplaats zelfs
niet meer.
Het is treurig met haar afgelopen. Toen ik haar aan het slot van ons
gesprek vroeg of ze nu eigenlijk aan een bevredigend huwelijksleven
was toegekomen, moest ze dat ontkennen. Maar ze wist, zo beurde ze zichzelf
op, hoe haar man kon genieten van hun tuin, waar op dat moment de rozen
bloeiden. Dus als hij straks thuis zou komen, zou ze zeggen: 'Kom,
laten we naar de rozen lopen, voor de avond valt.' Dat ontroerde
mij, ook door de dubbele lading: laten we niet talmen. Niet lang daarna
heeft haar man haar verlaten voor een ander en, als verdrietige apotheose,
is ze op 3 december 2001 bij een roofoverval in haar eigen huis om het
leven gebracht."
Welke
ontmoetingen springen eruit voor jou?
"Dat is een
ingewikkelde vraag, het zijn er zo ontzaglijk veel geweest. Bij Isabel
Allende – het was een van de eerste interviews die ze gaf na de
dood van haar dochter - weet ik nog dat we naast elkaar zaten op een
bank en dat ze vertelde en vertelde en vertelde, soms in tranen, dan
weer in milde berusting. Dat zal ik nooit vergeten. Ook door het vertrouwen
dat ze in me stelde, ze was nog zo kwetsbaar. En Annie Schmidt, kort
voor haar dood. Ik had eigenlijk maar een klein vraagje en wilde haar
niet lastigvallen, dus ik stelde voor het even per telefoon te doen.
Nou, daar kwam niks van in. Dus ik op pad met een gebaksdoos vol roomboterkoekjes,
daar was ze gek op - koekjes met een gaatje: ook Beertje Pippeloentje
zou er wel raad mee weten. Hoe weet ik nog steeds niet, maar het gesprek
kwam op de dood. Ze zag zichzelf als een spinnetje in bad dat toch nog
probeerde omhoog te komen. 'Het is het leven zélf dat wil
blijven leven,' zo vatte ze haar gevoel weergaloos samen. Later
bleek dat dit het laatste interview was dat Annie Schmidt heeft gegeven."
En
welke reken je tot je lastigste interviews?
"Als mensen
je louter zien als een instrument. Dat is nooit prettig. Dat is toch
een vorm van verkrachting. Iemand zei ooit tegen mij: 'Vertoon
je kunstje maar.' Nou nou nou. Ik weet heus wel dat de ene hand
de andere wast, maar binnen dat gegeven… Het gaat erom dat je
je hart verbindt aan wat je doet. Altijd en overal. Dat geldt voor de
interviewer, maar ook voor degene die het interview geeft."
Nog
even over je roman, 'Het huis van mijn vader'. Ik weet dat
je daar veel van je eigen jeugd in hebt gestopt en dat is soms nogal
heftig. Hoe was het om dat prijs te geven?
"Ik
beklaag mij allerminst hoor, maar er waren wat verwikkelingen waar niemand
wat aan kon doen en die niet makkelijk waren. Dus nee, ik kan niet anders
dan toegeven dat ik soms van streek was terwijl ik zat te schrijven.
Maar aan de buitenwereld denk je dan niet, dat is het gekke. Ik had
het ook toen ik destijds op verzoek van Libelle over de dood
van mijn zusje schreef. Tot dan toe was dat het intiemste wat ik aan
de openbaarheid had prijsgegeven, maar dat besef je pas als je op straat
komt en mensen spreken je erop aan. Schrijven gebeurt in de beslotenheid
van je huis, van je werkkamer. En daar voel je je veilig. Nee, als ik
erbij had stilgestaan wie het allemaal zou kunnen lezen, dan had ik
geen letter meer op papier gekregen, zeker niet waar het de erotiek
betreft."
Hoe
anders ervaar je het schrijven van een roman als je het vergelijkt met
je journalistieke werk?
"Waar ik aan
moest wennen, is dat je als schrijver alle ruimte mag nemen. Ik ben
er zo in getraind op lengte te schrijven. Dus ik liep mezelf constant
te korten en te censureren. Ik schrapte een zin bij wijze van spreken
nog voordat die er stond.
Waar ik ook van af moest, is het idee dat je geen vragen mag oproepen
met wat je schrijft, maar dat je met antwoorden moet komen. Dat is een
gouden regel in de journalistiek. Maar voor een roman geldt bijna het
tegenovergestelde. Daar moet je juist suggestief zijn, ruimte laten
voor de verbeelding van de lezer. Tessa de Loo zei dat zo treffend toen
ik het daar met haar over had. 'Als je met een boek vol antwoorden
komt,' zei ze, 'lig je voor je het weet in de etalage van
een New Age-winkel.'
En verder mag je als schrijver de waarheid liegen, hè? Dat is
ook zoiets vreemds. Ineens mag je met de geschiedenis een loopje nemen,
mag je feiten naast je neerleggen als het je zo uitkomt, of naar je
hand zetten. Het gaat niet langer om de werkelijkheid, maar om waarachtigheid."
Wat
doe je liever?
"Zonder
de indruk te willen wekken dat ik hier een potje loop te solliciteren,
hoop ik op af en toe een lucratieve opdracht die me de mogelijkheid
biedt me verder aan dat ándere schrijven te wijden. Want ik heb
ontdekt hoe verrukkelijk het is je in je eigen taal te mogen uitdrukken.
Ik bedoel dat je niet langer hoeft te woekeren met woorden van anderen.
Dat had ook z'n bekoring, hoor. Want het is prachtig met de stof die
tot je beschikking staat - hoe beperkt die soms ook is – net zo
lang te goochelen, tot je een portret overhoudt dat op alle manieren
recht doet aan de geïnterviewde.
Het verschil met het Grote Schrijven zoals ik het maar even noem, is
dat de reis niet langer naar buiten gaat, maar naar binnen. Simpel gezegd:
je hoeft er de deur niet voor uit. Dat op zich is een geweldige ontdekking:
dat hier binnen zo veel schatten te halen zijn.
Ik weet nog dat ik op de verjaardag was van mijn overleden zusje. Die
vieren we nog altijd, samen met haar kinderen – want ook haar
man is jong overleden. Ik stond in de tuin en iemand vroeg hoe het met
mijn boek stond waaraan ik toen werkte. Ik zei: 'Het is alsof er thuis
een geliefde op me wacht, die me straks weer van alles gaat vertellen.'
Dat geeft het precies weer."
De
Journalist, 18 oktober 2002
door Maaike Severijnen
Het
droomdebuut
Alex
Verburg: 'Ik heb moeten leren dat je de waarheid mag liegen'
Net als
de romanfiguur Floris in het boek komt Alex Verburg uit een groot gezin
met een schrijvende vader. 'Het was vanzelfsprekend dat ik koos voor
de journalistiek. Ik kreeg veel werk en deed dat met het grootste plezier.
Dus het schrijven van boeken bleef voor mij lange tijd buiten beeld.
De vraag werd me wel vaak gesteld: mijn vader die ook als journalist
was begonnen, had, toen hij op zijn vijfenveertigste overleed, ruim
dertig boeken op zijn naam staan.
Ik ben de bakens pas gaan verzetten toen ik te maken kreeg met in mijn
ogen nogal modieuze managers die me op pad wilden sturen met voorgebakken
vragen als: "Wat ligt er op je nachtkastje?" En interviews
werden ineens "projecten" waarover vergaderd moest worden.
Dus toen weer iemand me vroeg waarom ik me nooit aan het schrijven van
een roman had gezet, ben ik maar gewoon begonnen en heb daarbij mijn
eigen jeugd als vertrekpunt genomen.'
Verburg had wel enige moeite om zijn journalistieke bagage over boord
te zetten. 'Ik moest wennen aan de ruimte die je als schrijver mag nemen.
Je bent er zo in getraind op lengte te schrijven. Dus ik liep mezelf
constant te korten en te censureren. Verder heb ik moeten leren dat
je met de geschiedenis een loopje mag nemen, dat je als schrijver de
waarheid mag liegen.'
Het huis van mijn vader werd goed ontvangen. 'De kranten zijn
het er geloof ik wel over eens dat ik kan schrijven. Maar het was, als
ik me niet vergis, de Volkskrant die mij verweet dat ik op een
geforceerde manier literaire samenhang in mijn roman heb willen aanbrengen
en dat ik daar uitglijd. Als voorbeeld werd het getal 23 aangehaald
dat steeds terugkeert op cruciale
momenten in het leven van Floris. Laat dat nou net een puur autobiografisch
gegeven zijn! En ik vond dat onontbeerlijk voor het boek: een puber
die op zoek is naar de zin van heel veel onbegrijpelijks dat hem overkomt,
vindt in dat ondeelbare getal een zeker houvast. Maar het is dus niet
een interpretatielaag die ik er bewust in heb willen leggen, het is
het leven zelf.'
Inmiddels is van het boek al de derde druk verschenen. Maar daar alleen
van leven kan Verburg niet. 'Terwijl mijn vorige boek, Het voorlopige
leven van Liesbeth List uit 2001, ook nog steeds goed wordt verkocht.
Dus ik kijk uit naar wat inspirerende klussen voor ernaast. Ik ben al
gevraagd voor een column, ik geef lezingen en misschien gaan Liesbeth
en ik samen iets doen. Wat ik door mijn roman heb ontdekt, is hoe heerlijk
het is in mijn eigen taal te mogen schrijven, niet langer te hoeven
woekeren met woorden van anderen. De journalist in mij zal wel blijven
bestaan, maar de gedachte dat de schrijfstof alleen nog maar uit je
eigen hoofd hoeft te komen, is wel heel aantrekkelijk.'
Het huis van mijn vader gaat over een jongen uit
een groot gezin wiens leven ontregeld raakt door de dood van zijn vader
en door de liefde die een man van midden twintig voor hem opvat. De
Arbeiderspers, ISBN 9029551704, 200 blz. € 13,95.
Vroom & Vrolijk, oktober 2002
door Ben de Boer
Zoeken
naar zinsverband
Een interview met Alex Verburg
Wie
is Alex Verburg?
'Dat is de moeilijkste vraag die er bestaat: wie zijn wij? Wie is Ben
de Boer? Wie ben ik? Onlangs werd ik ondervraagd over het boek dat ik
aan het roerige en zeker ook roerende leven van Liesbeth List heb gewijd.
"Hoe is ze?" vroeg die journalist blijmoedig. "Hoeveel
tijd heb je?" vroeg ik op mijn beurt.
'Ik ben een zoeker, dat weet ik in elk geval wel. Ik zoek naar samenhang;
naar, zo je wilt, de hand van God in de dingen om ons heen. Ik herinner
me dat toen mijn zusje drieëntwintig jaar was getrouwd, ik haar
's ochtends opbelde. "Jullie gaan pappa en mamma inhalen?"
vroeg ik. Want toen mijn ouders drieëntwintig jaar en een maand
waren getrouwd, was mijn vader plotseling gestorven - jong nog, vijfenveertig.
Mijn zusje lachte. "Dat waren we wel van plan", zei ze. Maar
een maand daarna overleed haar man, aan een hartstilstand, vijfenveertig
jaar oud, net als mijn vader. Mijn leven zit daar vol mee en, vreemd
genoeg, geeft dat me vertrouwen in een groter plan, groot en ontzaglijk.
Het komt ook voor in mijn roman, Het huis van mijn vader. Bijna
alle grote dagbladen hebben de moeite genomen mijn boek te bespreken,
ik ben daar blij mee. Ze vinden allemaal ook wel dat ik kan schrijven,
geloof ik, maar volgens de Volkskrant gaat het mis waar ik "literaire
samenhang aan de vertelling wil geven". De recensent haalde daarbij
een vergelijkbaar voorval aan uit het leven van de hoofdpersoon, Floris
van Zevenhoven. Ze vond dat iets kitscherigs hebben. Terwijl die dingen
dus gewoon gebeuren, althans in míjn leven wel.'
U hebt uw sporen verdiend als interviewer - bekroond en gelauwerd.
Waarom deze roman?
'Met die lauwerkransen valt het nogal mee, hoor, ik ben één
keer genomineerd voor de titel Journalist van het Jaar. Maar ik heb
wel altijd waardering geoogst met mijn interviews, dat is waar. Ik vond
het ook heerlijk werk, en ik heb de ontmoetingen veelal als wezenlijk
ervaren. Juist daarom heb ik nooit zo de noodzaak gevoeld het over een
andere boeg te gooien. Tot ik ineens met, in mijn ogen, nogal modieuze
managers te maken kreeg die hun houvast zochten in formats, lak
hadden aan het klassieke interview en me er ineens op uit wilden sturen
met voorgebakken vragen in de sfeer van: "Wat ligt er op uw nachtkastje"
en "Wanneer bent u voor het laatst naar de wc geweest?" Interviews
werden ook ineens projecten. Allemaal best, maar voor mij net
iets te veel de waan van de dag, en de dood voor mijn creativiteit.
Het was Aafje Heynis, de beroemde Nederlandse alt, die me op een dag
vroeg: "Maar Alex, waarom ga jij geen romans schrijven?" Uiteraard
was die vraag me wel vaker gesteld, ik kom net als Floris van Zevenhoven
uit een kroostrijk schrijversgezin. Op een bepaalde manier lag het dus
zelfs voor de hand, zou je kunnen zeggen. Maar ik had het altijd afgehouden.
Boeken schrijven, dat was iets van mijn vader. Tot mijn vriend, aan
wie ik dat vertelde van Aafje Heynis, heel simpel opmerkte: "Je
hebt het nooit geprobeerd." Toen ik de volgende dag opstond, ben
ik gewoon begonnen. Nog nooit is de gang naar mijn bureau - met een
kop dampende koffie in de hand - een zo wonderlijke geweest.'
Uw boek gaat over een jongen in het Holland van de jaren 60; op de
voorkant staat een foto uit de 'collectie auteur'. Is het daarmee een
boek over de jeugd van de auteur?
'Die foto kwam ik tegen onder in een doos, terwijl ik op zoek was naar
iets anders. Ik had 'm lang niet gezien, en het was een schok: de jongen
die me aankeek, was zo helemaal de jongen over wie ik schreef, hij paste
zo totaal bij de sfeer van het boek, vorm en inhoud werden één.
Ik heb nog wel geaarzeld, ik vond het nogal pontificaal, zo'n foto van
jezelf. Ik heb het de uitgever voorgelegd, maar hij vond dat plaatje
wel fijn, geloof ik.
'Mijn jeugd is ontegenzeggelijk het vertrekpunt geweest van mijn roman.
In datzelfde gesprek met die vriend zei ik: "Maar waarover zal
ik dan schrijven?" Want ik heb veel schrijvers gesproken in mijn
leven, sommigen werken met enorme schema's vol vooraf uitgewerkte karakters
- ik zag het me niet doen, ik vaar voornamelijk op mijn intuïtie.
Hij zei: "Je hebt genoeg meegemaakt in je leven, begin maar gewoon
te vertellen." Toch noem ik het geen autobiografie, dan had ik
mij veel stringenter aan van alles en nog wat moeten houden, en waarom
zou ik mij die beperking opleggen?'
Met veel liefde en compassie beschrijft u een gezin met liberaal-religieuze
opvattingen over het leven. Zo goed - dat er geen buitenstaander aan
het woord kan zijn.
'Ja, de blik van mijn ouders was misschien wel eerder spiritueel
dan godsdienstig, ofschoon mijn vader zijn boeken toch voornamelijk
schreef voor protestants-christelijke kring. Maar binnen die kring golden
mijn ouders, denk ik, als redelijk mondaine mensen die de discussie
over geloof en dogmatiek bepaald niet uit de weg gingen. En wij, de
kinderen, hebben ze ook wel scherp gehouden. Wat ik zelf bijvoorbeeld
een ontroerende passage vind in mijn boek, is als Floris zijn moeder
polst omtrent haar mening over homoseksualiteit en dat doet via de tale
Kanaäns, de taal waarvan hij weet dat zij daar zo van houdt. "Waarom
regende het zwavel en vuur op Sodom en Gomorra?" vraagt Floris
- hij is dan vijftien en heeft zich op een regenachtige middag laten
uitkleden door Olivier, die wel tien jaar ouder is dan hij. Zijn moeder
probeert het te ontwijken. "Ach, dat Oude Testament," zegt
ze, "die verhalen zijn allemaal zo zwaar en somber." Maar
Floris houdt vol. En eindelijk geeft ze toe. "Het was vooral de
liefdeloosheid waar Sodom en Gomorra aan ten onder gingen", zegt
ze. "Als de liefde zonder liefde wordt bedreven, is zij bandeloos,
begrijp je dat?" Vervolgens raadt ze Floris aan zich toch maar
op het Nieuwe Testament te richten, dat is veel troostrijker, houdt
ze hem voor. Waarom, wil Floris weten. "Door de Verlossing",
antwoordt zijn moeder. "Ook voor de mannen van Sodom?" vraagt
Floris, terwijl hij moet slikken. "Ook voor hen", zegt zijn
moeder dan.'
U problematiseert de relatie tussen Floris en Olivier niet, maar
beschrijft de schoonheid ervan. In deze tijden geen onomstreden zaak.
Is het een bewuste keuze?
'Nou, ik laat wel de eenzaamheid zien; van Floris door het geheim
dat hij met zich meetorst en dat eigenlijk alleen maar groter wordt,
en van Olivier door zijn angst dat hij over Floris' grenzen gaat en
hem daarmee beschadigt. Ik heb me met dit boek zeker niet als pleitbezorger
willen opwerpen voor dit soort relaties, ik heb oprecht begrip voor
ouders die zich een ongeluk schrikken als ze zich voor zo'n situatie
gesteld zien. Anderzijds: het is wel degelijk een boek dat over liefde
gaat, en over verantwoordelijkheid. Nergens maakt Olivier Floris tot
een instrument voor het eigen gerief, en zijn aandacht is op dat moment
als balsem voor Floris' ziel, want de dood van de vader is hard aangekomen
in dat gezin, iedereen is op zoek naar een nieuw evenwicht.'
Ben ik homo? - is de angstige vraag van de hoofdpersoon uit het boek.
Is uw boek een boek over homoseksualiteit? Over een 'coming out' ?
'Het is vooral een boek over coming of age, met alles erop en
eraan. Verlies, verlangen, weemoed ook, het zoeken naar grenzen en ook
naar houvast, naar samenhang.'
Een verloren vader en een verloren vriend. Hoe leer je leven met
verliezen zonder zelf verloren te raken?
'Ik had het mezelf graag gegund dat ik wat langer kind had mogen blijven.
Door de dood van mijn vader was mijn jeugd in één klap
voorbij. Het jaar daarop, op het lyceum, stierf een klasgenoot aan kanker
en twee jaar daarna werd een jongen uit mijn klas vermoord. Het was
wel veel, allemaal. Ook later heeft de dood zich nog vaak laten zien.
Mijn broer die min of meer model heeft gestaan voor Arbout is verongelukt
en ook van mijn zusje dat met haar man zo vrolijk mijn ouders dacht
in te halen, Babs in het boek, hebben we afscheid moeten nemen. Toen
was ik wel erg ontdaan en ik was ervan overtuigd dat het leven zijn
glans nu voorgoed verloren had. Maar een mens is veerkrachtig. Al merk
ik wel, en dat vind ik helemaal niet erg, dat je iets losser komt te
staan van de wereld, losser dan mensen die zulke grote verliezen nog
niet hebben meegemaakt en denken dat het leven op aarde geen einde kent.'
De reacties op uw boek waren nogal verschillend: van 'hapklare brok'
tot 'subtiel en teder'. Hoe verhoudt u zich tot de recensies?
'Die hapklare brok komt geloof ik van een eindejaarsstudente Nederlands
in Groningen. Die recensie is werkelijk abominabel geschreven, en zo
warrig en boosaardig tegelijk, dat ik er puur om de curiositeit ervan
wat citaten uit heb gehaald en die op mijn eigen website heb gezet,
tussen de andere recensies. Ik schrik van de arrogantie, van de grenzeloze
zelfoverschatting van zo'n juffrouw, maar deren doet het me niet. Ook
niet als zo iemand gewoon niet van het genre van de éducation
sentimentale houdt - je volgt Floris van zijn achtste tot zijn zestiende
levensjaar, je groeit als het ware met hem mee -, al vraag ik me af
waarom je er dan over schrijft. Wat ik wel vervelend vond is dat na
diverse loftuitingen in Het Parool de krant vervolgens toch tot
de slotsom komt dat het een "overbodig boek" is, want, let
op: "Wat heeft dit boek meer te bieden aan commentaar op de jaren
vijftig dan we in De avonden (1947) van Gerard Reve al lazen?"
1947, een communistisch milieu, Amsterdam, hoezo, en hoezo de jaren
vijftig? Het prettige van een eigen site is dat je zoiets enigszins
kunt corrigeren door er meteen een recensie uit Trouw bij te
zetten of een stuk van de Nederlandse Bibliotheek Dienst, waarin staat
dat "de jaren zestig zelden zo beeldend en intiem zijn opgeroepen
als in Het huis van mijn vader".'
Denkt u al na over een ander boek? Waar zou u het liefst een roman
over willen schrijven?
'Ik heb wel ideeën, maar mijn uitgever verbiedt me ten strengste
daarover te praten; het moet gisten, zegt hij. Begin maart komt er bij
De Arbeiderspers wel een bundel uit met interviews die ik de afgelopen
decennia heb gehouden en die mij na aan het hart liggen; gesprekken
over vergankelijkheid met mensen als Isabel Allende, Cecilia Bartoli,
Annie M.G. Schmidt, Hans Warren, Mary Dresselhuys, Simon Wiesenthal,
Toon Hermans, Marten Toonder, Irene van Lippe-Biesterfeld, Aafje Heynis
natuurlijk
- enfin, vogels van zeer diverse pluimage. Onder welke
titel? Ha, onder de veelzeggende titel Gelijk het gras.'
'Het huis van mijn vader' door Alex Verburg
Sp!ts, 26 april 2002
door Eline Verburg
Verloren
onschuld door dood van vader
Het was
de tijd waarin men een kokosmakroon at bij de koffie, sigaretten in
een glas op tafel serveerde voor de visite, zelf appelmoes maakte van
goudreinetten en de kranen schuurde met Vim. Als jongere reed je op
een Puch of een Mobylette en keek naar Dappere Dodo op de eerste televisie,
al dan niet bij de buren. Wie verontwaardigd was riep 'Heren m'n tijd!'
of 'Grote gunst!'. De wereld die Alex Verburg heeft opgetekend in zijn
debuutroman Het huis van mijn vader moet voor meer dan één
generatie herkenbaar zijn.
'Het was een fantastische tijd om me te herinneren', zegt Verburg, geboren
in 1953 en opgegroeid in de jaren '60. 'Ik woon in een rustig West-Fries
boerendorpje, dat de stilte ademt van vroeger. Ik kon het verleden zo
weer oproepen. Soms raakte ik tijdens het schrijven in een trance, die
wreed verstoord kon worden als mijn buurman openhaardhout begon te zagen
met een motorzaag.' Hij beschrijft die tijd als heel wat ordelijker
en degelijker dan over het algemeen wordt gesuggereerd.
In die jaren '60 leeft hoofdpersoon Floris van Zevenhoven. Een gevoelig
kind, dat op elfjarige leeftijd zijn vader verliest. De jongen groeit
op in een groot, liefdevol gezin in de onbezorgde omgeving van het Gooi.
Door de dood van zijn vader is het paradijs verleden tijd en verliest
de vroegwijze Floris zijn onschuld.
'Voor een groot deel is het verhaal van Floris op mijn kindertijd gebaseerd',
erkent Verburg, wiens eigen jeugdfoto het omslag van de roman siert.
'Maar ik heb wel genoten van de vrijheid die de fantasie biedt. Je hoeft
je niet aan de waarheid te houden. Zo kon ik de dominee in het graf
van Floris' vader laten vallen. In werkelijkheid is zoiets gebeurd bij
de begrafenis van mijn opa.'
De zachtaardige Floris is, met zijn lieve gezicht en aandoenlijke krullenbol,
een aantrekkelijke jongen. Zijn groei naar volwassenheid gaat gepaard
met een groeiend gevoel dat hij homoseksueel is. Dit vloeit voort uit
het contact met zijn huiswerkbegeleider Olivier Santos, wiens strelingen
hij niet onaangenaam vindt. Floris wordt heen en weer geslingerd tussen
twijfels over wat anderen ervan zullen denken en zijn gevoelens voor
Olivier.
'Het was moeilijk om over erotiek te schrijven', vertelt Verburg. 'Want
het mag niet ranzig worden. Dat gold ook voor het schrijven over de
dood van Floris' vader, omdat ik hetzelfde heb meegemaakt. Je moet uitkijken
dat je niet sentimenteel wordt.' Sentimenteel is Het huis van mijn vader allerminst, ontroerend des te meer:
Zachtjes glijdt de zwarte auto de laan op en houdt stil voor ons huis.
'Zo kan papa afscheid nemen,' heeft mijn moeder gezegd.
Door de ramen zie ik allemaal bloemen en daaronder de kist. Ik maak
me los van het hek en loop naar de auto. Ik begrijp het niet. Pas was
alles nog gewoon. Ik druk mijn voorhoofd tegen het achtervenster en
met mijn handen streel ik het koude glas. Door mijn tranen lopen alle
kleuren in elkaar over. 'Dag pap,' fluister ik. Maar alles blijft stil.
Niks beweegt.
De vader
van Alex Verburg liet bij zijn vroege dood - op 45-jarige leeftijd -
een groot oeuvre na aan romans en non-fictie boeken; zijn Storm
over Nederland (1953) over de watersnoodramp in Zeeland was een
regelrechte bestseller. 'Misschien heb ik, omdat híj schrijver
was, nooit de ambitie gehad dat ook te worden. Veel mensen hebben me
aangeraden te gaan schrijven, maar dat heb ik altijd afgehouden.'
Verburg geniet enige bekendheid dankzij de vele interviews die hij met
name voor weekblad Libelle deed; hij had indringende gesprekken met
de groten der aarde, onder wie Leah Rabin, Isabel Allende, Toon Hermans
en Annie M.G. Schmidt. Het schrijven van een roman is heel anders: 'Een
nieuwe ervaring. Het verhaal kan echt 'tot je komen', als je in een
roes zit te schrijven. Ik dacht altijd dat dat onzin was, maar nu ik
dit gevoel ken, wil ik het liefst de rest van mijn leven romans blijven
schrijven.'
'Het
voorlopige leven van Liesbeth List' door Alex Verburg
Kluizenaar,
biechtvader, schrijver
door
Hanneke Leliveld voor www.boekboek.nl
Een zomer
lang heeft Alex Verburg als een kluizenaar geleefd. De enige die hij
sprak was de hoofdpersoon in zijn boek: Liesbeth List, wier levensverhaal
hij zou optekenen. Vele uren vertelde zij hem over haar leven. 'Je bent
maandenlang mijn biechtvader geweest', zei Liesbeth hem achteraf. Het
resultaat is een prachtig boek: Het voorlopige leven van Liesbeth
List, door Alex Verburg.
Liesbeth
List, meisje uit Bandung, dochter van de vuurtorenwachter van Vlieland,
zangeres van het Nederlandse chanson. Alex Verburg, journalist, schrijver.
Hij had twee platen van haar: de Mauthausen-cyclus en Pastorale en kende
Shaffy Chantant via zijn oudste broer. Hij vond haar een schoonheid,
maar is niet het type om wie dan ook blind te adoreren. Vanaf Texel,
waar Verburg als beginnend journalist werkzaam was, heeft hij eens van
een speciale, extra boot gebruikgemaakt om een concert van Liesbeth
List en Ramses Shaffy in Den Helder te kunnen bijwonen.
In de jaren daarna, toen hij voor grote publiekstijdschriften werkte,
heeft hij haar een paar keer geïnterviewd. Reden voor List om hem
voor te dragen bij haar uitgever als schrijver van haar levensverhaal.
'Het was mij al eerder gevraagd, in 1999, maar toen had ik het te druk',
aldus Verburg. 'Toen het verzoek mij dit jaar opnieuw bereikte, kon
het wel. Voor alles is een tijd en het was kennelijk toch de bedoeling
dat ik het zou schrijven. Sommige dingen zoek je niet, die komen op
je pad. Ik heb ooit Irene van Lippe-Biesterfeld geïnterviewd. Zij
stelde dat een ieder die durft te gehoorzamen aan de eigen innerlijke
weg, een heilige weg gaat. Hoe kun je van jezelf weten of je op die
weg zit? vroeg ik haar. 'Als de dingen vanzelf beginnen te gaan,' antwoordde
ze. 'Als de juiste persoon je pad kruist als je hem nodig hebt. Als
er ondanks een late boeking toch nog plaats voor je is. Als je niet
in de gelegenheid bent geweest boodschappen te doen en het bezoek van
die avond belt af.' Ik geloof in zo'n samenhang. Zo ben ik ook aan deze
stolpboerderij in West-Friesland gekomen. Ik had nog maar net mijn huis
in Amsterdam geheel naar mijn zin verbouwd toen ik bij toeval - wat
dat ook wezen mag - hier langsreed en er iets in mij gebeurde waarvan
ik direct wist dat het onomkeerbaar was. Een gelukkig noodlot. Zo is
het ook met Liesbeth gegaan, als iets onontkoombaars. Daaraan heb ik
bij het schrijven wel vertrouwen ontleend.'
Al meteen
was het voor Alex Verburg duidelijk dat hij Liesbeths levensverhaal
moest beginnen met de begrafenis van haar moeder op Vlieland. 'Dat is
een belangrijk moment voor haar geweest. Natuurlijk was er verdriet,
maar ze voelde zich ook bevrijd. Zij heeft haar leven lang getobd met
de dankbaarheid die ingebed ligt in haar jeugd als pleegkind. Toen haar
moeder dood was mocht ze eindelijk voelen wat ze voelde en kon ze afrekenen
met het schuldcomplex waar ze jaren onder gebukt is gegaan.'
Liesbeth
List is heel openhartig geweest in haar gesprekken met Alex Verburg.
'Ik heb alles met Liesbeth besproken. Het waren gesprekken van zes,
zeven, soms wel acht uur aaneen. Haar man Rob zorgde ervoor dat we tussendoor
ook nog wat te eten kregen. Liesbeth was af en toe in tranen. Dat vond
ik een goed teken: ze stak niet voor de zoveelste keer dezelfde riedel
af, routineus, nee, ze ging terug in de tijd, tastend, op zoek naar
het échte verhaal. Ze heeft toch altijd geleefd vanuit de houding
dat iedereen moest denken dat het goed met haar ging. Dat hield Ramses
haar voor: ze moest stralen, hoe verscheurd ze soms ook was.'
'Ze vertelt in het boek over haar seksuele ontdekkingsreis, waaraan
ze, als het aan haar pleegmoeder had gelegen, maar liever nooit was
begonnen. 'Later, meisje, als je achttien bent.' Maar ook toen niet.
Over het uitgaansleven in de jaren zestig en zeventig, met het drank-
en drugsgebruik dat daarbij hoorde, de one-night-stands. Over haar liefdes
en over haar jarenlange relatie met Cees Nooteboom.'
'Haar verbintenis met Nooteboom is geen gelukkige geweest. Er kwam nogal
wat oud zeer boven toen ze over hem vertelde, veel verdriet en ook woede.
Alles wat ze over hem beweert, kan ze staven. Maar sommige zaken zijn
natuurlijk puur een kwestie van perceptie. En dat mag. Het is háár
levensverhaal. Ik heb geprobeerd de zwarte bladzijden daaruit ingetogen
op te schrijven. Dat werkt volgens mij sterker dan een klaagzang.'
Het hele archief van Liesbeth List heeft Alex Verburg uitgeplozen. 'Ze
had alles, alles, alles gedocumenteerd. Dozen vol kreeg ik mee. Knipsels,
foto's, alle correspondentie. Dat vond ik een enorm blijk van vertrouwen.
Ik begon met lezen, het was zo schrijnend vaak, vooral de brieven van
haar echte moeder enkele dagen voordat ze zich van het leven benam.
Ik werd er echt door gegrepen en dan gaat het schrijven vanzelf.'
Behalve Het voorlopige leven van Liesbeth List verschijnt binnenkort
ook het literair debuut van Alex Verburg. 'Mijn vader, die in 1965 is
overleden, was schrijver. Ik dacht altijd dat ik meer van de korte baan
was, van de interviews en had daar helemaal vrede mee. Het schrijven
van boeken, dat was iets van hem. Maar toen ik bijna mijns ondanks aan
mijn roman Het huis van mijn vader begon, merkte ik hoe fantastisch
ik het vond na jaren van goochelen en woekeren met woorden van anderen,
zomaar te mogen schrijven wat ik wilde. Ineens ben je een beetje God.
Jij bepaalt de koers van je personages, hun wel en hun wee. 'Nee, toch
maar zo.' Toen ik op Texel werkte, leerde ik Tessa de Loo kennen, ver
voor haar meisjes van de suikerwerkfabriek. Ze was lerares in Den Burg.
Ik spreek haar nog met enige regelmaat en ze gaf hoog op van Peter Nijssen,
haar redacteur en nu hoofdredacteur van de Arbeiderspers. Dus heb ik
als vanzelfsprekend hem als eerste mijn roman voorgelegd en hij was
enthousiast.
Pas onlangs ontdekte ik dat mijn vaders laatste boek nota bene ook bij
de Arbeiderspers is verschenen. Ik vond een brief van de toenmalige
directeur tussen de condoleancepost die mijn moeder nog altijd in een
grote ordner bewaart. Het speet hem, zo schreef hij, dat de samenwerking
met mijn vader van maar zo korte duur was geweest. Is het niet wonderlijk
dat ik, zonder het te weten, die draad nu zomaar heb opgepakt?'
(November
2001)